Schaken

Een van de vele dingen waar Edward Winter, de redacteur van Chess Notes over wie ik vorige week schreef, een gruwelijke hekel aan had, was de gewoonte van schaakschrijvers om elkaar zonder nader onderzoek over te schrijven. Gelijk had hij natuurlijk. Je moet altijd maar hopen dat je de juiste autoriteit overschrijft. De Amerikaan Andrew Soltis liet eind vorig jaar in een artikel over de Russisch-Duitse schaker Bogoljubow zien hoe tegenstrijdig de oordelen van de autoriteiten kunnen zijn. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog deed Bogoljubow, toen nog een Rus, mee aan een toernooi in Duitsland. Hij werd door de Duitsers als vijandelijk element geinterneerd, bleef na het eind van de oorlog in Duitsland wonen, maar hield wel de nationaliteit van zijn land. Zo speelde hij in de jaren daarna een aantal toernooien in zijn oude vaderland en in 1925 was hij zowel kampioen van Duitsland als van de Sovjet-Unie. Later werd hij in zijn geboorteland als reactionaire landverrader beschouwd. Hij verduitste geheel, Botwinnik schreef dat hij zelfs lachte als een Duitser.

In 1972, twintig jaar na zijn dood, werd hij officieel gerehabiliteerd, maar tot vorig jaar verscheen zijn naam zelden in de Russische schaakpers. Hij won toernooien boven Lasker, Capablanca en Aljechin, de wereldkampioenen van zijn tijd, en hij speelde twee keer een match om het wereldkampioenschap met Aljechin. Een groot schaker was hij zeker, daar is iedereen het over eens, maar hoe was zijn stijl? Soltis laat zien wat de grote deskundigen uit het verleden er van zeiden. Kmoch beschreef Bogoljubow als iemand die altijd complicaties zocht. Reti zei dat hij juist naar simpele posities streefde. Euwe noemde zijn stijl 'in de eerste plaats positioneel'. Fine noemde hem een aanvalsspeler die geen belangstelling had voor positionele subtiliteiten. Hij werd zowel een hypermodernist genoemd als een super-classicist, een gokker, maar ook een solide routinier.

Om een onafhankelijk oordeel te vellen zou je de duizenden partijen die Bogoljubow in zijn leven heeft gespeeld nog eens moeten naspelen. Soltis heeft het niet gedaan en ik ook niet. Botwinnik zei eens, over een heel ander onderwerp: hierover is al zoveel geschreven, hier heeft de waarheid geen kans meer. Het is verreweg het makkelijkst om je daar maar aan te houden.

Ik wilde over Bogoljubow schrijven omdat hij uitvoerig voorkomt in het voorlaatste nummer van Chess Notes. Redacteur Winter drukt de correspondentie af die Aljechin in 1924 voerde met de organisator van het toernooi in New York. Aljechin wilde beslist niet meedoen als Bogoljubow ook zou spelen. Bogoljubow was een gifslang. Waarom? Hij had gesuggereerd dat Aljechin een remise had afgesproken met Capablanca, hij had hem op onbeschofte manier uitgenodigd voor een toernooi en, wat het ergste was, in Karlsbad, in 1923, had hij de hoteldirecteur proberen over te halen om in Aljechins kamer in te breken. Er wordt niet gezegd waarom dat was, maar ik heb wel een vermoeden. Waarschijnlijk wilde Bogoljubow Aljechin betrappen op het analyseren van een afgebroken partij. Een heer werd in die tijd geacht dat niet te doen, maar soms deed hij het toch. Bogoljubow bracht een sfeer met zich mee van haat, afgunst en kwaadaardige vreugde over de fouten van Aljechin. Zo wordt hij beschreven door Aljechin, die overigens toch samen met de gifslang in New York speelde. Andere tijdgenoten schilderen Bogoljubow af als een gemoedelijke bierdrinker, die geen vlieg kwaad zou doen, de braafheid in persoon. Een schaakjournalist van nu kan kiezen.

Als ik iemand overschrijf is het vaak Tartakower, niet omdat ik denk dat hij de waarheid dichter benaderde dan de anderen, maar omdat hij zulke pakkende slagzinnen kon bedenken. Tartakower schreef over Bogoljubow, met een toespeling op de internering tijdens de oorlog, dat hij zich '... een zeer karakteristiek, artistiek aandoend spel eigen gemaakt heeft, dat met vurige kombinatievleugels omhoog streeft en daarom als 'interneringsschaak' van een rebelse, aan de aarde geketende schaakengel gekenmerkt kan worden'.

Tartakower schreef graag dingen die hij zelf als onzin moet hebben beschouwd en daarom wordt hij nu nog zo vaak geciteerd. Wit Bogoljubow-zwart Rubinstein, negende matchpartij, Stockholm 19201. e2-e4 e7-e5 2. Pg1-f3 Pb8-c6 3. Pb1-c3 Pg8-f6 4. Lf1-b5 Pc6-d4 5. Pf3xe5 Pf6xe4 Het gambiet dat Rubinstein met zijn vierde zet aanbood heeft de tand des tijds doorstaan, maar toen wist Rubinstein kennelijk nog niet zo goed hoe hij het behandelen moest. In een eerdere matchpartij speelde hij 5... De7, wat nog steeds als de juiste zet beschouwd wordt, maar ook die partij verloor hij. 6. Pc3xe4 Pd4xb5 7. Pe5xf7! Dd8-e7 8. Pf7xh8 De7xe4+ 9. Ke1-f1! Pb5-d4 10. h2-h4! Een mooie zet, die zowel het ingrijpen van de toren als van de loper voorbereid. Om het paard op h8 te vangen moet zwart tijd verliezen die wit gebruikt om een sterke aanval op te zetten. 10... b7-b5 11. d2-d3 De4-f5 12. Lc1-g5 g7-g6 13. Dd1-d2 Lf8-g7 14. Ta1-e1+ Pd4-e6 15. h4-h5 g6xh5 16. Th1xh5 Lg7xh8ZIE

DIAGRAM

De volgende manoevre van wit deed Tartakower aan het probleemschaak denken. 17. Dd2-b4 Dreigt mat op e7. 17... c7-c5 18. Db4-h4 Kg8-f7 19. Lg5-d8 Dreigt weer mat op e7. Het idee van Frank Healy, schrijft Tartakower enthousiast, doelend op de probleemcomponist die de vader is van wat wij tegenwoodig de Bristolruiming noemen. 19... Df5-g6 20. Th5-h6 Dg6xh6 21. Dh4xh6 Pe6xd8 22. Dh6-h5+ Zwart gaf op. Hans Ree

    • Hans Ree