Over goed en fout

PROFESSOR PIETER GEYL zei het bij zijn afscheid al. De koude oorlog was indertijd nog niet over zijn hoogtepunt heen, maar volgens de Utrechtse historicus hadden noch de defaitistische 'boetepredikers' van de morele herbewapening noch de fellow-travellers van het stalinisme het gelijk aan hun zijde. ' Het contrast van de schijneenheid daar en het gedurig twistgesprek hier bewijst geen kracht tegenover zwakheid. Onze vrijheid is met al haar bezwaren het doorslaand bewijs dat de Westerse cultuur springlevend is'.

Dat was op 31 mei 1958. Louter hosanna kreeg Geyl bij die gelegenheid overigens ook niet over zijn lippen. ' De overwinning als maatstaf van alle dingen', het was Geyl evenzeer een gruwel. ' Hol optimisme is even gevaarlijk als het slopendst pessimisme'. Bijna 32 jaar later lijken we te zijn teruggekeerd in de tijd. Met een ongekend enthousiame wordt in de Lage Landen aan de zee de laatste maanden een discussie gevoerd over het gelijk en ongelijk van links en rechts in de koude oorlog. Nadat eerst enige tijd was heen gegaan met de vraag wie deze oorlog uiteindelijk had 'gewonnen' (het westen), is het debat nu overgegaan in een discussie over collaboratie en verzet tijdens de detente.

DAT HET ZOVER is gekomen, lag voor de hand. De revolutie die sinds een jaar over Europa golft, stemt onzeker over de toekomst en roept dus met terugwerkende kracht vragen op omtrent het verleden. In Oost-Europa over de aard van het communisme en de oorzaken van zijn veertig jaar durende heerschappij, bij ons over de doelstellingen en motieven van de ontspanningspolitiek. Dat is zinvol. Want zo kunnen zowel de zekerheden van de confrontatiepolitici, die het 'reeel bestaande socialisme' via een bewapeningswedloop op de knieen wilden dwingen, als de dogma's van hen die alle heil verwachtten van een positieve dialoog met het communisme tegen het licht worden gehouden. Hopelijk mondt dit er in uit dat de 'Ostpolitik' uiteindelijk weer in een normaal perspectief gezien kan worden. Anders dan nu wel wordt gesuggereerd, beoogden de meeste voorstaanders van erkenning van de DDR immers niet meer dan een klimaat waarin het Westen weer enige greep op de ontwikkelingen in Oost-Europa kon krijgen.

Maar er zijn ook minder intellectuele motieven in het debat geslopen. Menig openstaande rekening wordt nu vereffend. Op zich is dat evenmin nieuws. In revolutionaire tijden - en dat zijn het - springen er altijd mensen met persoonlijke belangen op de rijdende trein, mensen die de vlag hijsen of juist strijken in de hoop dat ze zich zo kunnen ontdoen van hun particuliere vijanden.

HELAAS ZIJN deze twee elementen in het debat, het politieke en het persoonlijke, tot nu toe onder de maat gebleven. De ideologische discussie bijvoorbeeld vertoont anachronistische trekjes. Sommige discussianten lijken zich tot doel te hebben gesteld om, in het voetspoor van de onttakeling van het communisme, ook de sociaal-democratie mee te sleuren. Daar is geen reden toe. Sinds de 'revisionist' Eduard Bernstein vaststelde dat ' het doel niets is en de beweging alles' en de sociaal-democratie zich voetje voor voetje afwendde van haar eigen absolute idealen is de sociaal-democratie een deel geworden van onze politieke consensus zoals ook het liberalisme en de christen-democratie dat zijn. Deze drie hoofdstromen in de Europese democratische tradtitie vullen elkaar aan, wisselen elkaar naar gelang de omstandigheden af, maar staan niet tegenover elkaar. De poging om de sociaal-democratie daaruit nu op de golven van de bevrijding van Oost-Europa los te weken is welhaast het spiegelbeeld van de intenties van het vergelijkbare debat uit de jaren zestig. Toen trachtte de 'democratiseringsbeweging' de christen-democratie en het liberalisme ideologisch mee te zuigen. Net zo min als het twintig jaar geleden fatsoenlijk was om deze twee stromingen in diskrediet te brengen omdat menig christen-democraat een theocratische erfenis beheert en sommige liberalen bij Hitler's machtsovername in 1933 wankelmoedig waren, zo is het nu niet terecht om de sociaal-democratie te diskwalificeren louter omdat ze lange tijd uit dezelfde marxistische bron heeft gedronken als het stalinisme. Een historische discussie over wederzijdse schuld en boete kan slechts zinvol gevoerd worden als ze uitgaat van het principiele onderscheid tussen hervormingsgezind gedachtengoed enerzijds en politiek fundamentalisme anderzijds. Dat is de ideologische grens tussen goed en fout.

DIE VASTSTELLING laat echter onverlet dat ook in zo'n debat het historische perspectief in ogenschouw moet worden gehouden. En dat gebeurt nauwelijks. Waarom? Omdat we in Nederland nog steeds niet toe zijn aan het 'historiseren' van ons verleden. De Duitse bezetting en onze eigen oorlog in Indonesie daarna zijn hier nog altijd onverwerkte geschiedenis. Dat is bekend, al langer dan vandaag. Vijf jaar geleden riep de Amsterdamse historicus Hans Blom in zijn oratie reeds op tot onderzoek naar de 'grijze' middenmoot in de oorlog, naar die meerderheid die zich niet had verzet noch had gecollaboreerd maar zich gewoon had aangepast aan de bezetter.

Bloms pleidooi heeft kennelijk weinig weerklank gevonden buiten de vakkringen. Het teleurstellende niveau van de morele component in het debat illustreert dat. Het lijkt er op alsof we in Nederland, onder het mom van Oost-Europa, alsnog onze kleine trauma's uit de jaren zestig/zeventig willen uitvechten. De hele discussie over het gelijk van links dan wel rechts is daarbij niet meer dan een schijnheilig breekijzer om individueel ressentiment te ontladen. Over de oorzaken van het recente links-radikalisme en het rechts-extremisme in verder achter ons liggend verleden gaat het al lang niet meer. Er wordt weliswaar historiografische belangstelling gesuggereerd, maar in feite is het tot nu toe om platte politiek gegaan. Alle fascisten, alle communisten en iedereen die daarmee in verband kan worden gebracht, worden daarom met graagte onder verdenking geplaatst. Integriteit is in deze sfeer een begrip waar menig discussiant omheen zeilt. Hoewel dat toch een maatstaf zou kunnen zijn. Niet alleen het goed en het fout moeten ter beoordeling staan. Belangrijker is misschien nog wel het fatsoen waarmee zij die 'fout' waren zich nu verantwoorden en op hun eigen verleden reflecteren. De ene fascist of communist is de andere niet, zoals ook niet alle 'goeden' in het debat louter en alleen omdat ze aan de winnende kant bleven met terugwerkende kracht integer zijn.

ZOLANG HET DEBAT zo enghartig blijft, zal het niet kunnen ontstijgen aan de sfeer van de zondagse biechtstoel. Dat is niet alleen vanuit intellectueel oogpunt teleurstellend maar ook gevaarlijk. De aantrekkingskracht van totale ideologieen is met de bevrijding van Midden- en Oost-Europa immers niet definitief teloorgegaan. De borstkloppers die nu furore maken, zouden wel eens in hun eigen mes kunnen lopen.

De woorden van Geyl hebben anno 1990 niets van hun actuele waarde verloren. Maar waar zijn de historici van deze tijd? Waarom mengen zij zich nu niet in de discussie? Natuurlijk, de ' geschiedenis kent geen oplossingen', zoals Geyl in 1958 al zei, en dus kunnen historici die ook niet aandragen. Maar een ding kunnen ze vaak wel: het kleine gelijk relativeren.