Mandela: Compromis met regime mogelijk

SOWETO, 17 febr. - 'De regering en ik zijn al een flink stuk gevorderd met het leggen van een basis voor onderhandelingen en ik ben dan ook optimistisch ten aanzien van het uiteindelijke resultaat.' Dat zegt Nelson Mandela, de vorige week vrijgelaten ANC-leider, tijdens een vraaggesprek in Soweto. 'Er is een belangrijke en stevige grondslag gelegd voor toekomstige onderhandelingen, en met name mijn ontmoetingen met een aantal kabinetsleden en met de beide presidenten hebben daar veel toe bijgedragen, ' aldus Mandela.

Hij doelde daarmee op de verscheidene geheime ontmoetingen die hij gedurende een periode van drie jaar heeft gehad met twee vooraanstaande leden van het kabinet, alsook met zowel de voormalige president van Zuid-Afrika, P. W. Botha als de huidige president, F. W. de Klerk. En nog vlak voordat hij afgelopen zondag na een verblijf van bijna achtentwintig jaar in de gevangenis werd vrijgelaten, had Mandela een gesprek met De Klerk in diens ambtsverblijf in Kaapstad dat liefst zes uren duurde. 'Wij zijn elkaar zeker nader gekomen en ik geloof dat we het probleem iets meer vanuit dezelfde invalshoek beginnen te bekijken, ' aldus Mandela. 'Zo langzamerhand begint ook de sfeer van wantrouwen en achterdocht, die alle pogingen om de beide bevolkingsgroepen met elkaar te laten samenwerken tot dusver hebben ondermijnd, te verdwijnen.' Mandela zei dat er, wat hem en wat het ANC betreft, nog steeds twee zaken waren die een begin van het overleg in de weg stonden, namelijk de handhaving van de noodtoestand en het feit dat nog niet alle politieke gevangen zijn vrijgelaten. 'Dit zijn de belangrijkste voorwaarden waardoor de zaak nog wordt opgehouden, maar wanneer men daar eenmaal mee heeft ingestemd is naar mijn idee de sfeer verder wel gunstig voor het beginnen van onderhandelingen, ' aldus Mandela. 'En ik ben ervan overtuigd, ' zo voegde hij eraan toe, 'dat we in staat zullen zijn deze verschilpunten uit de weg te ruimen en een gemeenschappelijk gesprek over de toekomst van ons land aan te gaan.' In het vraaggesprek zei Mandela dat er geen sprake van kon zijn dat het ANC formeel zou afzien van de gewapende strijd 'voordat er een overeenkomst was bereikt.' Later, in een vraaggesprek voor de Zuidafrikaanse televisie, liet Mandela voor het eerst doorschemeren dat een compromis, waarbij ook het ANC een concessie zou doen en de gewapende strijd zou opgeven, tot de mogelijkheden behoorde. Hij stelde voor dat wanneer de regering aan de laatste twee voorwaarden van het ANC tegemoet zou komen 'het ANC tegelijkertijd de toezegging zou doen slechts vreedzaam te zullen optreden.

Dat zou een enorme stap vooruit betekenen.' Op een aantal punten was Mandela enigszins onduidelijk in zijn uitspraken. Blijkbaar bestaat er momenteel enig verschil in opvattingenwanneer het gaat om het officiele standpuntvan het ANC en de visie van Mandela zelf. Bovendien heeft hij nog geen ontmoeting gehad met de nog in ballingschap verkerende leiders van het ANC waarbij hij de partijpolitiek inzake toekomstige onderhandelingen heeft kunnen bespreken.

Volgens plan zou gisteravond in Lusaka het driedaagse overleg van het nationale uitvoerend comite van het ANC beeindigd worden. Dit overleg werd gehouden ter besluitvorming inzake een formele reactie op de aankondigingen van De Klerk van 2 februari waarbij het verbod op alle zwarte oppositie-partijen werd opgeheven en de politieke ballingen de mogelijkheid om naar hun land terug te keren werd toegezegd. Mandela is van plan volgende week naar Lusaka te reizen om daar een ontmoeting te hebben met de leiding van het ANC en tot afspraken te komen over zijn rol in de toekomstige contacten en onderhandelingen met de regering.

Het vraaggesprek met de zwarte nationalistische leider vond plaats in het door bomen overschaduwde voortuintje van zijn woning, onder de blikken van kinderen die net uit school kwamen en over de muur gingen hangen. Hij haalde herinneringen op aan de achtentwintig jaren die hij in de gevangenis had doorgebracht en gaf aan hoe het leven in gevangenschap zijn denken had beinvloed.

Hij vertelde dat hij de eerste twee jaren na zijn arrestatie in augustus 1962 in volstrekte afzondering had doorgebracht en dat de omstandigheden 'bijzonder ingrijpend veranderden' toen hij in 1964 voor een levenslange gevangenisstraf naar Robbeneiland voor de kust bij Kaapstad werd gestuurd: 'Er heerste daar een bijzonder streng regime; men trad er zeer hard op en in bepaalde gevallen zelfs bijzonder wreed.'

Zelf was hij naar zijn zeggen echter nooit het slachtoffer geweest van lichamelijk geweld; hij had zelfs de nodige vrienden gemaakt onder de bewakers, 'die naar vermogen hun best deden om voor ons de situatie zo draaglijk mogelijk te maken.' Van 1964 tot het midden van de jaren zeventig moest hij zwaar werk doen: stenen vergruizelen in een steengroeve en zeewier uit de zee halen. Daarna werden de omstandigheden, als gevolg van de acties van de gevangenen voor beter eten, betere sportfaciliteiten en betere lectuur, wat gunstiger.

Mandela zei dat, hoewel de gevangenis 'voor geen enkel menselijk wezen goed was', hij er toch de gelegenheid had gehad zich te bezinnen op fouten die het ANC had gemaakt - 'en daar waren een paar fundamentele bij' - alsook op de wijze waarop de strijd zou moeten worden voortgezet.

Ook had het leven in de gevangenis hem dichter gebracht bij 'de blanken die de macht in handen hebben', een waardevolle ervaring die andere beleidsmakers van het ANC hadden gemist. 'Het mag dan een verschrikkelijk zware tijd zijn geweest, toch heeft die me ook wel iets opgeleverd, ' voegde hij eraan toe.

Op vragen naar aanleiding van berichten dat hij na zijn vrijlating tweemaal bij een dokter zou zijn geweest zei Mandela dat hij 'in redelijk goede gezondheid verkeerde' al waren er ook de 'tekenen van ouderdom en slijtage waar we nu eenmaal rekening mee moeten houden.' Hij zei dat hij zich persoonlijk geen zorgen maakte omtrent zijn veiligheid, maar dat zijn collega's 'hem hadden doordrongen van de noodzaak van het nemen van veiligheidsmaatregelen en dat hij hen gehoorzaamde.'

Maar Bizos geeft een eenvoudiger verklaring. 'Ik denk dat zijn zelfvertrouwen voortvloeit uit de wetenschap dat hij het morele gelijk aan zijn kant heeft en uiteindelijk wel moet winnen', zegt hij. 'Daardoor verkeert hij in een positie waarin hij het voor het zeggen heeft en verkeren zijn tegenstanders in het nadeel.'