Lage groei was funest voor Zweeds model

STOCKHOLM, 17 febr. - In Zweden kwam deze week een tijdperk ten einde. De val van de sociaal-democratische regering bezegelde de sluipende erosie van het Zweedse model en zet het land ten lange leste onafwendbaar voor de keuze tussen lage inflatie en lage werkloosheid.

Het bouwwerk dat resulteerde van 50 jaar sociaal-democratie wankelt en misschien wordt Zweden een Westers land als alle andere, waar de produktiviteitseisen van de markteconomie afgeslankte sociale voorzieningen en langdurige werkloosheid hebben afgedwongen.

Twee weken geleden konden de Zweden nog bogen op een overspannen maar rustige arbeidsmarkt, een regering van sociaal-democraten die in nauwe samenwerking met de vakbonden het land bestierde en bovenal op een internationale reputatie als de uitvinders van een economisch model. Een efficient maatschappelijk model overigens, dat kapitalistische produktieverhoudingen wist te combineren met een uitgekiend stelsel van sociale voorzieningen.

De dag dat de regering viel was de vergaderzaal van het parlement eigenlijk gereserveerd voor Alfred Dubcek, die zich ter plekke zou komen overtuigen van de Zweedse variant van 'socialisme met een menselijk gezicht'.

De fysieke gesteldheid van Dubcek verhinderde op het laatste moment dat hij getuige was van de ernstigste politieke crisis van het moderne Zweden, zoals Ingvar Carlsson de situatie kenschetste.

Het moet een desastreuze tijd zijn voor het zelfvertrouwen van Zweedse socialisten. Eerst zagen zij hun voorman een stakingsverbod afkondigen om vervolgens te moeten constateren dat de voorzitter van de vakcentrale voor laagstbetaalden het verbod ondersteunde. Alsof dat nog niet genoeg was moesten de lonen voor een periode van twee jaar bevroren worden en dreigde 'hun' minister van financien te midden van het politieke tumult het mes te zetten in de sociale voorzieningen.

Even leek er niets meer heilig. De ontluistering volgde op een uitsluiting van 50.000 werknemers in de bankensector, geprovoceerd door een stakingsdreiging van 1500 employes op de internationale afdelingen van de banken. Het wanhopige geschipper met resten contant geld en de lange rijen voor de loketten van de postkantoren, waar nog wel cash verkrijgbaar was, moest zelfs de meest fervente aanhangers van het Zweedse model ervan overtuigen dat er iets hapert aan de harmonieuze relatie tussen werkgevers en werknemers. Vreedzame, centrale loononderhandelingen vormden jarenlang de hoeksteen van het 'Zweedse model'. Behalve een regering verloor Zweden het geloof in twee fundamenten onder haar beroemde economische beleid, beide niet opgewassen tegen lage produktiviteit. Direct verbonden met de politieke crisis is het failliet van de zogenoemde 'derde weg', de belofte om de lage werkloosheid niet te offeren voor inflatiebestrijding. Wat betreft de werkloosheid waren de sociaal-democraten succesvol, zo succesvol zelfs dat er nu een te krappe arbeidsmarkt bestaat. Een van de geheimen achter de lage werkloosheid ligt in de groei van de collectieve sector, die nu 63,5 procent van het nationaal produkt beslaat. In de periode 1970-1986 steeg het aantal arbeidsplaatsen in Zweden met 450.000. De collectieve sector groeide met 600.000 banen, terwijl in de privesector 150.000 arbeidsplaatsen verloren gingen. Van inflatiebestrijding kwam echter niets terecht. De demissionaire regering hoopte op 9 procent inflatie in de komende twee jaar, twee keer zo veel als het gemiddelde in de OESO-landen. Gezien de hoge looneisen was die voorspelling waarschijnlijk te optimistisch. De regering onderkende het probleem, maar was niet bij machte om onpopulaire deflatoire maatregelen te nemen. De noodsprong om de 'derde weg' te redden, het crisispakket, werd in het parlement samen met de regering weggestemd. Minister van financien Kjell-Oloff Feldt, die al maanden waarschuwde tegen de inflatie, besloot gisteren uit de politiek te stappen. Het succes dat de sociaal-democraten behaalden op de arbeidsmarkt, was in zekere zin mede verantwoordelijk voor het ontsporen van de centrale loononderhandelingen. De werkgevers zeggen niet langer uit de voeten te kunnen met het rigide systeem van centrale onderhandelingen. Op een krappe arbeidsmarkt willen zij de handen vrij hebben om werknemers op cruciale maar moeilijk vulbare posities hoog te belonen.

Daarnaast leverde het systeem al lang niet meer stabiliteit en rust op de arbeidsmarkt, zoals tijdens de hoogtijdagen van het Zweedse model in de jaren vijftig. Tussen 1956 en 1970 verloor Zweden gemiddeld 45.000 arbeidsdagen per jaar tengevolge van stakingen. Tussen 1985 en 1988 waren dat er gemiddeld 503.000. Het systeem van centrale onderhandelingen bleek bovendien niet bestand te zijn tegen de steeds lagere groei van de Zweedse economie. In de jaren tachtig was de jaarlijkse groei van het bruto nationaal produkt slechts 1,9 procent. Er was geen taart meer waarover de onderhandelaars konden bekvechten.

    • Onze Michel Kerres