Kleine wetenschap

Er is een grote wetenschap en er is een kleine wetenschap.

De grote houdt zich bezig met de overbekende vraagstukken, de kleine met de minder bekende. Om van die laatste een voorbeeld te noemen: straatmuzikanten weten dat er een ideale straal bestaat, namelijk van de cirkel die het publiek tijdens de uitvoering om hem heen moet vormen. Deze cirkel is de grens die hem het gevoel geeft dat hij de mensen kan 'overzien' - ze zijn hem niet tena gekomen - terwijl de daardoor bepaalde afstand tevens het maximale muzikaal genot verzekert.

Het staat intussen wel vast dat er zo'n ideale straal is. Iedereen die weleens naar straatmuziek luistert weet dat, en kent ook het gevoel van onzekerheid dat haar/hem besluipt bij het 'afsnijden' van de cirkel. Het is beter een omweg te maken. Wie regelmatig straatmuziekcirkels 'afsnijdt', dat zelfs opzettelijk gaat doen, is rijp voor een beetje introspectie. Intussen weet men (a) nog niet hoe de ideale straal moet worden bepaald (factoren: instrument, geluidsvolume, aard van het repertoire, tijd van de dag, weersgesteldheid, enz.) en (b) op welke manier de kunstenaar het publiek de lengte van de ideale straal aan het verstand zal brengen. Dit wordt door de kleine wetenschap onderzocht.

Ander voorbeeld: de bepaling van het ideale zwaaimoment. Een geliefd persoon gaat een verre reis maken. Als het middel van vervoer nemen we nu maar de trein omdat dit het eenvoudigst is. De 'wegbrenger(ster)' staat op het perron en het duurt nog drie minuten voor de trein vertrekt. Men roept elkaar door het raampje nog iets toe dat door alle omstanders wordt verstaan maar misschien niet begrepen. De wegbrengende partij doet een stap terug, kijkt op een manier die niet te beschrijven valt maar kan dat ook niet langer dan een paar seconden blijven doen. Dus weer naar het raampje voor een laatste boodschap. De trein rijdt nog niet. Voor de tweede maal doet de perronpartij een stap terug en maakt dan een grote fout te vroeg te gaan zwaaien. Iemand die zwaait naar iets dat nog geruime tijd zal blijven stilstaan, zwaait in het niets. Op die manier wordt zo'n gebeurtenis vol veelbelovend drama grondig bedorven. Ik zou zeggen dat het ideale zwaaimoment in dit geval is aangebroken, drie seconden voor de trein gaat rijden. Daarna doet iedereen wat karakter, temperament, duur van de voorgenomen afwezigheid, gevaren van de reis, enz. voorschrijven.

Laatste voorbeeld, waarbij ik al op een gebied kom dat aan de grote wetenschap grenst. Men wordt in het holst van de nacht wakker zonder dat daarvoor een objectieve oorzaak (knal, inbraak) valt aan te wijzen. Men heeft de laatste tijd ook geen bijzondere vraagstukken in het dagelijks bestaan ontmoet, nee, men had zelfs de indruk gekregen dat men misschien meer had gekregen dan men verdiende. Alle omstandigheden werkten mee om naar een paar seconden weer in slaap te vallen, maar dat gebeurde niet. Men ging 'malen'. Het staat in Van Dale omschreven als ' 1. wentelen, woelen; - dat maalt hem steeds door het hoofd, dat kan hij niet uit zijn gedachten zetten; - 2. vol (onrustige) gedachten zijn, mijmeren; ik lig soms uren te mijmeren voor ik inslaap; - over, op iets malen: ik denk dat ik erover zal blijven malen tot het laatst toe (v.

Schendel); niet malen om, niet geven om'. Tot zover Van Dale.

Ik denk dat het woordenboek om te beginnen een fout maakt, namelijk door mijmeren en malen als synoniem op te voeren. Mijmeren heeft iets ongestoord-liefelijks terwijl het malen in beginsel wordt gekenmerkt door een niet aflatende kwaadaardigheid. Er is als het ware een klauw om de hersenen geslagen, of als men dat liever wil, het brein wordt voortgejaagd, men is daar zelf de baas niet meer, de malende is de slaaf van het eigen bewustzijn geworden. Dit verklaart meteen het 'wentelen, woelen': dat zijn de bewegingen die men maakt om aan de greep binnen de hersenpan te ontkomen. Vergeefs natuurlijk omdat het wentelen en woelen een greep van buiten veronderstelt; maar er zit een franc-tireur in uw hoofd.

De grote wetenschap houdt zich bezig met de oorzaken van het malen om er daarna eventueel een 'therapie' voor te vinden. Hoewel ik de grote wetenschap respecteer, heb ik tegen de 'therapeut' een intuitieve weerstand, of misschien zelfs wel een rationale omdat ik toevallig geloof dat iedereen de beste kenner is van wat er in zijn eigen hoofd gebeurt - uiteindelijk dan.

Wenden we ons dus tot de kleine wetenschap.

Identificeer de onderwerpen van het malen, breng in gedachten de maalbewegingen in kaart. Dat vergt een beetje oefenen maar wie erin slaagt zal tot zijn verrassing merken dat zich in zijn hoofd een stelsel bevindt, vergelijkbaar met dat van onze planeten. Het hele systeem draait tenslotte om de zon; de rest is daaraan ondergeschikt. Heeft men dit eenmaal begrepen dan weet men meteen ook dat er een onderscheid is tussen creatief en destructief malen. Het laatste leidt tot niets anders dan slaapgebrek, het eerste kan gemakkelijk in winst worden omgezet.

Omdat het echte malen altijd in het donker gebeurt, moeten we eerst een plek vinden waar het fel licht is. Onder de leeslamp, dat bevalt mij het best. Begin te schrijven, maak een beknopte lijst van alles wat men ten onrechte heeft nagelaten en datgene wat men nog van plan is en overweeg de kansen. Het leven is een veldtocht. Na een half uurtje valt die strategische boekhouding wel te overzien, en nu zal men, opnieuw tot zijn verrassing merken dat het malen (op die manier ten goede gekeerd) wel degelijk een nuttige functie heeft vervuld. Het is niets anders geweest dan een ingewikkelde poging van het eigen ik om een vigerend probleem op te lossen.

Denk nu niet dat met een zo'n nachtelijke zitting onder de leeslamp het varkentje is gewassen. Daarvoor zal nog veel meer moeten worden gemalen - als het maar creatief gebeurt.