Instituut vol geniale hersens in plakjes tussen glaasjes

MOSKOU, 17 febr. - Het 'Herseninstituut' staat in een achterafsteeg in het centrum van Moskou. Binnen in het hoge rode bakstenen gebouw is het als in alle Russische instituten tochtig, rommelig en bezaaid met nodeloze oude meubelstukken. Het Herseninstituut was vorige week in het nieuws omdat de hersens van Andrej Sacharov er onderzocht gaan worden. Het instituut heeft een hele collectie hersens van beroemde persoonlijkheden: Lenin, Stalin, de revolutionaire Klara Zetkin, de dichter Vladimir Majakovski, de natuurkundige Lev Landau, de schrijver Maksim Gorki, de ruimtevaartdeskundige Edoeard Tsiolkovski, de fysioloog Ivan Pavlov en de operazanger Leonid Sobinov. Het instituut is destijds opgezet ter bestudering van hersens van geniale personen. De eerste teleurstelling (en opluchting): in het Museum van de evolutie van de hersenen, een Bordewijks klaslokaal in het instituut, is de grijze massa van deze beroemdheden niet te bezichtigen. De hersenen, die voor 90 procent uit water bestaan, worden eerst bewerkt, gedehydreerd, in stukken gesneden en dan in parafine gegoten. In flinterdunne plakjes gesneden eindigen ze vervolgens tussen twee glaasjes, waarna ze klaar zijn voor de microscoop.

Het idee voor de oprichting van het instituut kwam op na de dood van Lenin. 'De hersens van deze geniale mens mochten niet ononderzocht blijven', aldus de vakbondskrant Troed vorige week. De Sovjet-regering nodigde in 1926 de Duitse professor Oskar Vogt uit Lenins hersens te bestuderen. In 1929 publiceerde Vogt zijn bevindingen in het tijdschrift 'Fur Hirnforschung'. Hij stond ook een vraaggesprek toe aan het Avondblad van Moskou. Vogts conclusies, aldus professor Oleg Adrianov, de huidige directeur van het Herseninstituut, waren onder meer dat Lenins hersens een grote varieteit hadden. Lenin had veel grote hersencellen in de derde hersenlaag (de associatie) en een ingewikkeld hersenpatroon. Vogt noemde Lenin 'een titaan van de associatie'. Ook was Vogt onder de indruk van Lenins enorme vermogen tot herstel van beschadigde hersenfuncties.

Adrianov wil over Lenins herseninhoud niet veel kwijt, want het onderwerp werd al spoedig na Lenins dood tot staatsgeheim bestempeld en dat stigma is pas onlangs opgeheven. Binnenkort komt het instituut voor het eerst met een wetenschappelijke publikatie over Lenins hersens en de professor wil daar niet op vooruit lopen.

Pag.5: Vervolg

Het weekblad Ogonjok publiceerde een paar weken geleden ook al zo'n geheim document: een artikel van Lenins dokter Viktor Osipov over Lenins ziekte en sterfbed waaruit blijkt dat Lenin aan een zeer zware vorm van, waarschijnlijk erfelijke aderverkalking leed, die zijn hersens compleet verwoestte. In maart 1922 kreeg hij rechtszijdige verlammingsverschijnselen die gepaard gingen met spraakstoornissen. Hij herstelde, maar een jaar later trof hem een ernstiger hersenbloeding, waarna praktisch zijn hele spraakvermogen verdween. Hij stierf het jaar daarop, op 21 januari 1924, op 53-jarige leeftijd. Na zijn dood wogen Lenins hersens 1340 gram, een doorsneegewicht, schreef dokter Osipov.

Nee, zegt professor Adrianov, aan de hersenen van geniale mensen kun je niet veel aflezen. De verschillen tussen individuen zijn zo groot dat er weinig algemeen geldende conclusies zijn te trekken. Genialiteit is het produkt van de hele hersens tegelijk, al kun je bijvoorbeeld in de hersens van muzikanten bepaalde goed ontwikkelde hersendelen onderscheiden. Adrianovs droom is een vergelijkend onderzoek opzetten tussen hersens van doven en muzikanten, blinden en schilders, om te onderzoeken welk verband er bestaat tussen geen gehoor en muzikaal gehoor, tussen visueel begaafde en visueel gehandicapte hersens. Maar het blijkt niet eenvoudig om aan hersenen van doven en blinden te komen. Ze sterven meestal thuis, zegt Adrianov spijtig. Hij krijgt zijn hersenen meestal van mensen die in het ziekenhuis sterven, waarna bij de lijkschouwing in de regel de hersenpan wordt gelicht.

Het Herseninstituut is volgens Adrianov nooit misbruikt voor bedenkelijke experimenten. Integendeel, in de jaren dertig bewezen medewerkers van het instituut dat de rassentheorieen van Hitler kletskoek waren. 'De verschillen tussen de hersenen van twee Russen kunnen aanzienlijk groter zijn dan de verschillen tussen die van een Rus en een Chinees.'

Adrianov geeft wel toe dat dit onderzoek uiteindelijk misschien toch ook eerder politiek dan wetenschappelijk was gekleurd. 'Het is niet ondenkbaar dat deze mensen in de ban van het anti-nazisme waren.' Ook over Stalins hersens kan Adrianov niets vertellen. De mensen die aan de hersens van de tiran hebben gewerkt zijn zelf al lang en breed overleden en ook hun onderzoek was geheim. 'Het hersencentrum voor aggressiviteit hebben ze niet gevonden', grapt de professor, die overigens wel vindt dat al dat onderzoek 'eigendom van de mensheid' moet worden.

Pronkstuk

Het museum van de evolutie van de hersenen is een waar rariteitenkabinet. Hersens in al hun stadia en verschijningsvormen, in hun meer of minder ontwikkelde gedaante, van de hersens van de krab via het nijlpaard en het rhesusaapje tot die van de embryo en de homo sapiens. Van de eenvoudige, gladde hersens van de struisvogel tot de ontelbare hersenkronkels van de mens. Voorin het klaslokaal staat een buste van Lenin. Zijn witmarmeren kale schedeldak glimt veelbelovend, maar verraadt voorlopig niets over zijn inhoud. Valeria Viktorovna, die al jarenlang de scepter over het klaslokaal zwaait, wijst op een tekening van de hersens van een van de genieen uit de collectie, de dichter Majakovski. Veld 45 is bij Majakovski erg sterk ontwikkeld, zegt ze, daar huist de spraak en de motoriek.

In het laboratorium staat het pronkstuk van het huis: de microtoom. De zwartstalen snijmachine is in 1926 door professor Vogt meegebracht en doet nog steeds dienst. Op de machine ligt een brokje bruine in parafine gegoten hersenen. Het mes ligt horizontaal en wordt met de hand bediend. De laborante snijdt een paar plakjes voor ons af en houdt de hersencellen tegen het licht. De plakjes zijn twintig micronen dik en worden tussen twee glaasjes geklemd en ingekleurd. Dan kan het cellentellen beginnen. Vroeger gebeurde dat met het blote oog en de microscoop, tegenwoordig heeft het instituut een Videoplan, een computer waarmee de celkernen eenvoudig geteld en kunnen worden beschreven.

Voor zover Adrianov weet, is zijn instituut het enige ter wereld dat een collectie hersens van beroemde mensen heeft. 'We hebben omvangrijke informatie over individuele hersens.'

Wie weet lukt het ooit nog eens een onderscheid te ontdekken tussen gewone en geniale hersens, al wordt er in de wereld niet veel onderzoek naar gedaan. Onlangs is er in Amerika een studie verschenen over de hersens van Einstein, herinnert Adrianov zich, maar de conclusies waren erg vaag en algemeen gehouden. We weten eigenlijk gewoon niet waarmee genialiteit verband houdt. Toergenevs hersens wogen 2012 gram en die van Anatole France maar 980, maar over hun talent zegt dat hoegenaamd niets.

Maar waarom dan toch de hersens van Sacharov? 'Sacharov was een uitnemend geleerde, hij heeft de Nobelprijs gekregen, hij is onze nationale trots', zegt Irina Nikolajevna, het hoofd van het laboratorium, met grote stelligheid. 'Het is belangrijk', schrijft de Troed, 'dat onze geleerden niet terugdeinzen voor de moeilijke opgave die ze zich gesteld hebben - het raadsel van de menselijke rede te ontsluiten. Hun weg is waarlijk geen eenvoudige. Maar hoe edel is het doel - de geheimen ontraadselen van de genialiteit, van de menselijke wijsheid en goedheid!'

    • Laura Starink