Ik ben lang niet zo'n superman als Eric Heiden vroeger was

Vandaag en morgen strijden de allrounders in Innsbruck om de wereldtitel schaatsen. In het rijtje favorieten, onder wie de Nederlanders Gerard Kemkers en Bart Veldkamp, komt Eric Flaim niet voor. De 22-jarige kampioen van 1988 is bezig aan een zwak seizoen en is mede door een blessure vol twijfels naar het toernooi in Oostenrijk gekomen.

In 1988 werd je in Alma Ata onverwachts wereldkampioen bij de allrounders. Hoe kijk je op dat toernooi terug? Ik ben een toevallige winnaar genoemd. Ten eerste omdat ik de zege te danken zou hebben aan het feit dat de concurrentie kort na de Olympische Spelen van Calgary ontbrak of moe en matig geinteresseerd aan de start verscheen. Ten tweede omdat ik de wisselende weersomstandigheden op de Medeo-baan bijzonder mee zou hebben gehad. Ik heb me van die kritiek niets aangetrokken. Echt, ik voelde me geen lucky winner, ik verdiende het, het was de mooiste dag van mijn leven. Thuis gekomen vond ik talloze felicitaties in de bus, vooral uit Nederland en de DDR. Maar in de Verenigde Staten kreeg het succes nauwelijks aandacht. De kranten schreven er in een klein bericht over, weggedrukt in een hoek. De helft van ons land heeft geen ijs, weet niet wat schaatsen is. Een beoefenaar van een niet populaire sport moet in Amerika wel iets fantastisch laten zien om de gepaste waardering te krijgen. Greg LeMond heeft met zijn tweede triomf in de Tour de France en zijn wereldkampioenschap wat dat betreft voor een grote doorbraak gezorgd. Sports Illustrated koos hem tot nationaal sportman van het jaar '89. Zijn je trainingsmogelijkheden en andere faciliteiten in de VS de laatste jaren verbeterd? Nauwelijks. Er zijn drie banen in Amerika: Calgary, Milwaukee en Butte. Door gebrek aan geld en kennis - de ijsmeesters moeten nog veel leren - is het voor de rijders behelpen, al doet de nationale bond zijn best. Er is door enige steun van ons Olympisch comite een beperkt budget voor de selectie. Deze competitie konden we alleen naar Europa voor de World-Cupwedstrijden in West-Berlijn en Den Haag, en er waren de nodige dollars gereserveerd voor een oefenkamp van een maand in Collalbo, vooraf aan dit WK. De groep moet wel zelf zakgeld meebrengen. In de zomer zorgt iedereen voor zichzelf. Ik red me met wat in de World-Cup verdiende centen, aangevuld met een bijdrage van mijn ouders en een teamsponsor. Mijn omstandigheden zijn lang niet te vergelijken met die van de goed bedeelde top uit Nederland, dat nu eenmaal een grote schaatstraditie heeft. Maar ik ben niet jaloers.

Je richt je seizoen dit jaar anders in dan voorheen. Waarom? In het verleden, met name vorig schaatsjaar, stond ik bij veel te veel World-Cupraces aan de start. En overal met het doel te winnen, me als wereldkampioen waar te maken, zowel op de sprint als op de langere afstanden. Dat ging niet, ik had daarvoor niet genoeg basis. Ik ben lang niet zo'n superman als Eric Heiden vroeger was. In overleg met Heiden heb ik het aantal wedstrijden beperkt. Na de vele trainingen in de zomer - fietsen, lopen en werken met gewichten - ben ik rustig op het ijs begonnen. In tegenstelling tot andere jaren ben ik, ook al op advies van Heiden, zelfs helemaal met de specifieke sprinttraining gestopt.

Dat alles heeft nog niet geleid tot fraaie resultaten. Je prestaties zijn teleurstellend.

Dat klopt. Het kan deels het gevolg zijn van het feit dat ik mijn studie (business-management, red.) aan de Universiteit van Calgary weer heb opgepakt. In september, oktober, november en december moest ik daardoor mijn aandacht verdelen tussen het ijs en de collegebank. Ideaal is dat niet. Daarbij kreeg ik last van mijn linkerknie. Tendinitis, zeiden de artsen. Die nu nog voortslepende blessure ging ten koste van mijn techniek. Net als Gerard Kemkers met zijn zwiepende been raak ik af en toe lichtelijk uit balans. De knie wordt op allerhande manieren behandeld. Het beste recept is natuurlijk rust, maar dat kan niet. Het WK moest en zou mijn hoogtepunt worden. De laatste week zit er vooruitgang in, maar ik ben vol twijfels naar Innsbruck gekomen. Nogmaals, deze competitie heeft me weinig goeds gebracht, hoewel de trip naar West-Berlijn voor mij onvergetelijk was. Niet wegens het schaatsen, maar door de afbraak van de Muur. Wat een belevenis! Ik heb stukken steen voor mijn familie en vrienden meegenomen.

Er zijn critici die menen dat het probleem van Kemkers het gevolg kan zijn van overtraining. Hoe sta jij daar tegenover? Het zou best eens kunnen. Trainster Diane Holum zegt altijd dat het woord overtraining niet bestaat. Ik ben dat niet met haar eens. Sterker nog, ik sluit niet uit dat ook mijn blessure voortkomt uit overbelasting in de zomermaanden. Misschien zouden er bij grote toernooien even goede prestaties kunnen worden geleverd met wat minder inspanningen vooraf. Nee, dan doel ik niet op Leo Visser, die met een uurtje oefenenen per dag derde werd bij de Europese titelstrijd in Heerenveen. Dat was een uitzondering. Van die stunt ben ik achterover geslagen.

Vind je het jammer dat de uit Nederland afkomstige trainer Peter Schotting bij de Amerikaanse schaatsbond is vertrokken? Schotting heeft voor hij in dienst van de bond kwam als prive-coach veel voor me betekend. Hij was goed op de hoogte van fysiologie, hij was streng, eiste alle inzet, had een strak oefenschema en gaf zelden complimenten. Hij was beter geschikt voor de functie van individuele coach dan die van teamcoach. Waarom hij precies weg is weet ik niet, maar men zegt dat het ook met geld had te maken. Hoe dan ook, hij voelde zich niet zo lekker met zo'n grote selectie als die van de VS. Het is ook moeilijk werken, dat weet ook Mike Crowe die nu weer terug is. Het is voor hem onmogelijk iedereen voldoende aandacht te geven. Als topper kom je dan tekort. Ik kan zonder Schotting, maar wil ik meetellen dan heb ik wel een andere persoonlijke trainer nodig.

Zit er nog groei in het ledental van de Amerikaanse schaatsbond? Zeker. Shorttrack zorgde voor de grootste winst, maar ook de successen van de sprinters Nick Thometz en Dan Jansen en die van mij hebben ertoe bijgedragen dat er nu vierduizend actieven staan ingeschreven. Een paar jaar geleden was dat nog maar de helft. De groei heeft ook te maken met het zoeken van een groep Amerikanen naar alternatieve, vriendelijkere sporten. Ze beginnen hun buik vol te krijgen van het harde American football, het rugby en andere ontspanning waarbij veel blessures vallen.

Denk je al aan de Olympische Winterspelen van 1992 in Albertville? Zelden, hoewel ik mooie herinneringen bewaar aan de Spelen: in Calgary haalde ik achter de Oostduitser Andre Hoffmann zilver op de 1500 meter. Die uitschieter maakte me korte tijd populair, want het Amerikaanse publiek is gek op Olympische medailles. Sommige kranten besteedden zelfs een hele pagina aan dat succes. Toch staat voor mij het WK voorlopig voorop. Ik wil een goede allrounder zijn. Pas in de loop van volgend jaar komen de kriebels voor Albertville met zijn medailles per afstand, waarbij ik weer mik op de 1500 meter.

Of het nu goed of slecht met je gaat, je blijft altijd even vrolijk.

Ik ben niet de losbol waarvoor men me wel eens uitmaakt, maar ik houd soms wel van een verzetje, zeker aan het einde van het seizoen. Dat was al zo toen ik nog een tiener was. Jan Ykema (de sprinter, die eind vorig jaar is gestopt, GdV) kan daarover meepraten. Een jaar of vijf geleden ontmoetten we elkaar bij wedstrijden in Inzell. We besloten op stap te gaan in Traunstein, waar het compleet uit de hand liep. Midden in de nacht zaten we nog pils te zuipen. De laatste bus was toen al lang vertrokken. We vroegen een politie-bus om een lift, maar de bestuurder riep iets van: 'ik ben geen taxi-chauffeur'. Zwalkend gingen we de straat over, mensen plagend en lawaai makend. Prompt werden we gearresteerd. Vanuit mijn cel riep ik Jan een beetje benauwd toe hoe dat nu allemaal verder moest. 'Maak je geen zorgen, man', schaterde hij, straks komt de teamleider er ons wel weer uit halen. Nou, gelukkig, de volgende ochtend mochten we weer vertrekken. Weet je wat het mooie is? Vijf jaar later wonnen we allebei een zilveren medaille bij de Spelen.

Wie wordt er in Innsbruck wereldkampioen? Gerard Kemkers. Want het is zijn jaar. Hij moet op de 500 en 1500 meter de basis kunnen leggen. Trouwens, ook de andere Nederlanders rijden verschrikkelijk hard en staan er goed voor. Toch zal Europees kampioen Bart Veldkamp het met zijn goede vijf en tien kilometer in de strijd om de eerste plaats naar mijn idee net niet redden. Net zo min als Ben van der Burg. Ik geef toe dat hij prima gaat op de 1500 meter en de vijf kilometer, maar hij is nog te jong en niet niet echt klaar voor deze belangrijke titel.

    • Guido de Vries