Een schuilplaats voor de revolutie

De revoluties die Europa de afgelopen tweehonderd jaar hebben omgeploegd, hebben zich bij de grens van Nederland altijd op het laatste moment bedacht.

De Franse Revolutie van 1789 ging aan ons voorbij als een storm op een andere planeet; de Belgische Opstand van 1830 speelde zich hoofdzakelijk in Brussel af en kostte ons grondgebied dat ons toch niet toekwam; de omwenteling van 1848, die her en der koningen onttroonde, ging met een grote boog om Nederland heen en de revolutie van 1918 bracht wel de Oranjepartij in Den Haag paniekerig in het geweer, maar vleide zich als een schoothond in het gras toen Wilhelmina in haar janplezier het Malieveld opzeilde.

De enige revolutie die Nederland ooit in rep en roer bracht was die van 1787, die de democratie aan de macht bracht, maar die er nog geen half jaar later alweer was geweest. Het brandpunt van de orangistische contrarevolutie uit dat jaar bevindt zich achter de gevel van een groezelige seksbioscoop in Den Haag, op de hoek van de Herengracht en de Fluwelen Burgwal, een straatlengte verwijderd van het Binnenhof. Een gevelsteen heeft er kennelijk nooit afgekund, maar de gebeurtenissen die zich hier hebben afgespeeld zijn in dagboeken van die tijd nauwkeurig opgetekend. Daardoor weten we dat de Oranjefurie, die nooit veel aansporing nodig heeft gehad om verlekkerd bij de regenten voor de deur te gaan liggen, bij de hier wonende antiprinsgezinde raadpensionaris van Holland Pieter van Bleiswijk de ruiten ingooide en zo vervaarlijk tierde dat de man half gek werd van angst. De Pruisen, die de in Holland en Utrecht uit de macht gezette stadhouder Willem V in zijn waardigheden kwamen herstellen, waren het Oranjegezinde Gelderland al binnengetrokken, hoewel ze nog enige dagreizen van Den Haag verwijderd waren. Maar Van Bleiswijk zag de bui al hangen en wist dat zijn dagen waren geteld. Als hij aan de hooivorken van de wraakzuchtige Oranjepartij wilde ontkomen, moest hij snel zijn koffers pakken. Maar hij had nooit tot de besluitvaardigste regenten van de Republiek behoord en ook nu kon hij in zijn bangste uur nog niet besluiten het land te ontvluchten. Hij aarzelde tussen een koets naar Frankrijk en een pink naar Engeland, maar het was al te laat. Met vereende krachten sneden de Staten van Holland en de Oranjemeute hem de pas af. De Staten omdat die vreesden dat hij met de kas de wijk zou nemen naar het staatsgezinde Amsterdam, de Oranjemeute omdat die hem wilde vierendelen.

De raadpensionaris had zijn huis gebarricadeerd en voor en achter soldaten op wacht gezet, die de instructie hadden het vuur op de voor zijn deur verzamelde menigte te openen zodra zij gevaar voor hun leven liepen, maar de meute rukte zo krijgshaftig op dat hij via de achterdeur een veilig heenkomen zocht naar het huis van zijn buurman Van Brandsenburg - 'alwaer hij bleef tot s'nagts over twaalf uuren, zijnde seer ontstelt toen hij daer eerst kwam, vermits men de glasen bij hem al hadde ingeslagen'. De achtertuinen waren door sloten van elkaar gescheiden, want Van Brandsenburg (die twee huizen verder woonde) had een loopplank uitgelegd naar de tuin van zijn naaste buurman, het lid van de Gecommitteerde Raad Nicolaas Geelvink van Stabroek en vervolgens 'eene grote dikke plank' naar de tuin van de raadpensionaris, zodat die zonder gevaar voor een nat pak zijn huis kon ontsnappen. De Gedenkschriften van Gijsbert Jan van Hardenbroek, de Utrechtse afgevaardigde ter Generaliteitsvergadering, vermelden dat Van Bleiswijk na middernacht zijn eigen huis weer opzocht nadat hij 'vier pijpen' had gerookt en 'een goed glas Rijnwijn' had gedronken.

Buiten bleef het zo roerig dat Van Bleiswijk niet naar bed durfde. Van Brandsenburg, die hem de volgende dag de boodschap kwam brengen dat de Staten hem wilden spreken, trof de raadpensionaris op 'het sekreet', waar hij zich schuil hield en 'sig wel tien minuten bedagt voor dat hij jaa of nee seyde'.

De scene doet denken aan de manier waarop de Oostduitse partijleider Erich Honecker zich de eerste dagen na zijn afzetting verborgen hield om de volkswoede, die zich elk moment op zijn hoofd kon ontladen, te ontlopen. Van Bleiswijk moest eraan geloven en zich naar het Binnenhof spoeden, omdat de Staten erop stonden dat hij zijn ambtsplichten vervulde. Geelvink bood hem zijn koets aan, die hem - opnieuw via de achterzijde - zonder kleerscheuren naar de Statenvergadering bracht.

Van Bleiswijk geloofde nog half en half dat de Fransen hem zouden komen ontzetten en de Pruisen het land zouden uitjagen, maar onderweg werd zijn laatste beetje hoop de bodem ingeslagen. De Fransen, die, eerlijk is eerlijk, nooit harde toezeggingen hadden gedaan, waren in geen velden of wegen te bekennen en uit de bravoure die de langs de straat opeengepakte Oranjemassa tentoonspreidde, kon de gekwelde raadpensionaris opmaken hoe laat het was.

Hardenbroek beschrijft met een accurate verslaggeverspen (anno 1787) hoe de prins van Oranje - die door de sterke arm van zijn Pruisische zwager intussen weer in het zadel was getild - de bevende Van Bleiswijk spitsroeden liet lopen tussen de gillende keukenmeiden en de bloeddorstige Oranje-aanhang, die de gehate en allesbehalve principiele patriot het liefst aan mootjes had willen hakken. 'Toen de Raadpensionaris 't eerst aan 't hof van de Prins kwam, om Sijn Hoogheydt namens H. E. Groot Mogende te complimenteren en te verwelkomen, beefde sijne knieen onder hem, want hij liep aan de regterhand van de Prins, en veel volk, dat sig op 't hof bevond, dit siende, wilde hem daer vandaan rukken en te neer maken, sulks hardop seggende, soodat hij 't horen konde. Ook in sijn koets teruggaande, hadde hij moeite daerinne te komen, want sij wilden hem toens al wederom te lijf gaan. Dit alles bij hem wel opgemerkt zijnde, seyde hij dieselve avond, bij Brandsenburg in huis komende vlugten, hoe hij aangedaan en verwondert was geweest soo allerley slegt soort van menschen rontom sig aan 't hof te hebben gesien' (Hardenbroek, deel VI, blz. 622). De Haagse Oranjepartij was een verzamelpunt van primitieve en lage politieke hartstochten, waarvoor elke fatsoenlijke politicus een straatje omging. Maar de afstraffing die het met oranje getooide janhagel voor Van Bleiswijk in gedachten had, was niet helemaal onverdiend. De patriottische raadpensionaris (die voordien pensionaris van Delft was geweest) was een overloper, die zijn positie in de Staten van Holland niet in de laatste plaats aan Oranje te danken had. Volgens Hardenbroek kon men er staat op maken dat hij 'den eenen dag sus, den anderen dag soo seyde'.

In het oordeel dat Jan Romein anderhalve eeuw later over zijn karakter velde kon men de staf horen breken: 'tot het einde toe vast in zijn onvastheid' (Nieuw Biografisch Woordenboek). Aan Van Bleiswijks huis heeft zowel het Oranjevaandel als de Keezenvlag gehangen. Politieke opportunisten waren kind aan huis in de oude Republiek, maar Van Bleiswijk was een politieke windvaan in een aparte klasse. Na de restauratie van 1787 nam hij opnieuw zijn draai en presideerde hij de Statenvergadering die Willem V in al zijn waardigheden herstelde, zo goed als hij de vergaderingen gepresideerd had, waarin de stadhouder die bevoegdheden waren afgenomen. Zijn overlijden voor de komst van de Fransen voorkwam een vierde bekering. Zo kon hij tenminste eervol worden begraven (zoals een mislukte ambtenaar eervol wordt ontslagen) onder de oranje sjerp, waaronder hij ook zijn politieke leven was begonnen.