Burgemeester wordt beheerder regionale politie

DEN HAAG, 17 febr. - Volgende week bereikt de Tweede Kamer per brief de uitslag van de Derde Slag om het Politiebestel. Na de fusie van gemeente- en rijkspolitie in het regeerakkoord en de indeling van Nederland in 23 politieregio's, rest nu de precieze verdeling van de macht binnen de regio. De burgemeester van de grootste plaats en de hoofdofficier van justitie zullen conform het regeerakkoord een dwanghuwelijk sluiten. Over de huwelijkse voorwaarden is de afgelopen weken achter de schermen druk gevochten tussen Binnenlandse Zaken, Justitie, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de coalitiepartijen. Maar de officier van justitie staat op punten achter: de burgemeester lijkt hoofd van het gezin te worden.

De inzet is nog altijd dezelfde. Justitie wil meebeslissen over de verdeling van het politiepersoneel en de besteding van het budget. Met als doel om snel personeel uit de hele regio vrij te kunnen maken voor de grote zaken: de bendes, de inbraak-epidemieen, de roofovervallen. Binnenlandse zaken en VNG willen de invloed van de kleine gemeenten op de politie in stand houden. Ook de 'kleinere' burgemeester moet over wijkagenten kunnen beschikken en politie kunnen inzetten als de koopavond of de wielerronde veel publiek op de been brengt. De gemeenteraden mogen niet buiten spel worden gezet. De oplossing die werd gekozen betekent een stille bestuurlijke revolutie in Nederland. De nieuwe regionale politie wordt beheerd door de burgemeester van de grootste regio-gemeente 'in overeenstemming met' de hoofdofficier van justitie en de korpschef. In het regeerakkoord leek er een troika te zijn gevormd van drie gelijkwaardige bestuurders. Nu lijkt het kabinet af te stevenen op een hoofdrol voor de burgemeester, een vetorecht voor de officier en een adviseursrol voor de korpschef. Wel krijgt de officier van justitie (met in zijn kielzog de minister van justitie) voor het eerst een officiele rol toebedeeld in het plaatselijk bestuur - een duidelijke afwijking van de Thorbeckiaanse staatsinrichting. Uit de vertrouwelijke notitie die Binnenlandse Zaken aan een tweetal studieconferenties van burgemeesters, politiechefs en officieren vorige maand voorlegde blijkt dat de officier de zwakkere partner is geworden naast de regioburgemeester. Deze draagt als korpsbeheerder de primaire verantwoordelijkheid voor de genomen beslissingen - de officier heeft op sommige onderdelen van het beleid een vetorecht. Het gaat dan om beslissingen over de formatie, de begroting (althans 'de materiele toerusting') en het jaarlijkse 'beheers-beleids plan'.

De rol van de korpschef is gereduceerd tot die van adviseur die alleen behoeft te worden 'gehoord'.

De eigen aanwijzingsbevoegdheid van de officier is in de zogenoemde startnotitie uit het zicht verdwenen. Er wordt nog 'nader overleg' gevoerd, heet het. Waar dat toe geleid heeft wordt deze week duidelijk. Wellicht krijgt de officier geld mee van de Justitie-begroting om naar eigen inzicht aan de politie te kunnen besteden. Dat zou deze 'aangetrouwde' partner enige zelfstandigheid kunnen bezorgen.

Maakt de officier van zijn vetorecht gebruik en weigert de burgemeester een andere beslissing te nemen, dan komen hun twee ambtelijke chefs er aan te pas. De Commissaris van de Koningin moet 'in overeenstemming met' de procureur-generaal het geschil beslechten. Worden ook die het niet eens dan moet de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing nemen, wederom in overeenstemming met de minister van Justitie. Geschillen worden dus in principe via de BiZa-hierarchie opgelost. Aan de invloed van de 'kleine burgemeester' wordt ook gedacht. In de kleinere gemeenten worden politie-onderdelen gevestigd.

De burgemeesters van die gemeenten zullen vermoedelijk eigen bevoegdheden krijgen voor het personeelsbeleid bij die politie-onderdelen. Er wordt gedacht aan een vetorecht bij de benoeming van de politie-officier die de leiding krijgt over het plaatselijke onderdeel. De korpsbeheerder (de burgemeester van de grootste regio-gemeente) zou ook bevoegdheden kunnen mandateren: aan de regionale korpschef of aan een van de kleine burgemeesters. Zo wordt de regionale politie aan lokale wortels geholpen. Van de rol van de regionale korpsleiding wordt in de binnenlands bestuurslobby gehoopt dat die betrekkelijk gering zal zijn. Een facilitair bedrijf dat centrale taken als automatisering, verbindingen, personeelsplanning, financieel beheer en klachtenafhandeling uitvoert. Dagelijkse prioriteiten kunnen het best op gemeentelijk niveau worden bepaald, analoog aan de gebiedsindeling volgens de Wet Gemeenschappelijk Regelingen (WGR). Binnen deze vrij kleine WGR-gebieden regelen gemeenten nu vaak de watervoorziening, huisvuilverbranding en energielevering. Daar kan het beheer over de lokale onderdelen van het regiokorps best bij, zo wordt geredeneerd. Dicht bij de burger, 'ingebed in het lokale bestuur' is het wachtwoord.

De democratische controle op de regiokorpsen is de meest in het oog springende lacune in de politiestructuur. Het regeerakkoord spreekt van een jaarlijkse vergadering met leden van de gemeenteraden, de burgemeesters, de officier van justitie en de korpschef, sindsdien bekend als de 'Poolse landdag'.

Wat zou dit splinternieuwe orgaan precies te zeggen krijgen? Volgens de interne notitie wordt gedacht aan drie varianten: een regionaal college waarin alleen burgemeesters zitten. Een gemengd college met burgemeesters en gemeenteraadsleden, of een college met alleen gemeenteraadsleden. De laatste variant lijkt het meest kansrijk: een regiopolitieraad met leden die uit en door de gemeenteraden zijn gekozen. Zij zouden jaarlijks de begroting en het beleidsplan vast kunnen stellen en de korpsbeheerder en de officier om inlichtingen kunnen vragen. Het lijkt echter een vrij tandeloos college te worden. Verwerpt de politieraad een ontwerp-begroting dan treedt nota bene de geschillenregeling in werking: de Commissarisen der Koningin, de procureur-generaals en ministers moeten beslissen. Het lijkt een nieuwe vorm van locale consensus-democratie: worden burger en bestuur het niet eens dan beslist de minister. Daar zou Thorbecke van opgekeken hebben.