Bedrijven: hulp via exportkrediet komt goed terecht

DEN HAAG, 17 febr. - Het Nederlandse bedrijfsleven is bevreesd dat de discussie over zijn rol bij ontwikkelingssamenwerking weer meer wordt beinvloed door ideologische stellingsnames dan door zakelijke argumenten. Zowel het Nederlands Christelijk Werkgeversverbond (NCW) als het Verbond van Nederlandse Ondernemingen (VNO) noemen het niet juist dat ontwikkelingslanden maar ten dele profiteren van ontwikkelingshulp die tot stand komt via exportkredieten aan het Nederlands bedrijfsleven.

Vorige week kwam een rapport uit van de Inspectie ontwikkelingssamenwerking te velde (IOV) waarin geconstateerd werd dat door een tekort aan kennis en lokale middelen zestig procent van de capaciteit van door Nederland geleverde sleepboten, vliegtuigen, baggerschepen, vrachtwagens en communicatieapparatuur, die met zachte leningen werden gefinancierd, niet wordt benut.

In het rapport staat verder dat de handel het ruimschoots van de hulp heeft gewonnen. Er was in veel gevallen te weinig sprake van een concurrerende prijsstelling. Door slechte lokale opvang raakten sommige kapitaalgoederen vrij snel onbruikbaar. Sinds 1987 wordt het programma voor zachte leningen voor export geheel gefinancierd door Ontwikkelingssamenwerking. Het zwaartepunt bij het programma Exportgaranties werd door de Tweede Kamer niet op exportbevordering gelegd, maar op ontwikkelingssamenwerking. Die toetsing was tot dusver beperkt, schrijven de inspecteurs van het IOV. De werkgevers noemen het een onjuiste voorstelling van zaken dat ontwikkelingshulp die tot stand komt via exportkredieten aan het bedrijfsleven alleen succesvol is voor de betrokken bedrijven. Uit het rapport blijkt immmers dat de oplevering van goederen in het algemeen goed is verzorgd en de projecten aan brede lagen van de bevolking ten goede komen. Leveranciers treft dus geen blaam. Slechts in een geval was er een te hoge offerte. 'Voor zover zulke projecten niet goed zijn verlopen, is dat niet te wijten aan de aard van het programma of aan de uitvoering van Nederlandse bedrijven. Veeleer ligt het aan de projectformulering, gebaseerd op de wensen van ontwikkelingslanden en aan de toetsing van projecten. Daarbij wordt te weinig gekeken naar het management en de ervaring van organisaties in ontwikkelingslanden waaraan het beheer van de projecten wordt toevertrouwd', schrijven de werkgevers tot slot in een reactie op het IOV-rapport.

Professor L. Mennes, directeur van de Nederlandse Financierings-Maatschappij voor Ontwikkelingslanden (FMO) onderschrijft die mening. 'Het ministerie van Ontwikkelingssamenwerking heeft zichzelf met dit rapport een zeer slechte dienst bewezen', aldus Mennes. 'Je zou het je ergste vijand niet toewensen. Het is gemakkelijk om op basis van wat in het rapport staat aan te tonen dat het bedrijfsleven heel goed heeft gedaan wat men kon verwachten. Op het terrein van analyse schiet het rapport ernstig te kort. 'In het begin wordt in het rapport gesteld dat evaluatie van een financieringswijze eigenlijk onmogelijk is. Je gaat dan over op evaluatie van projecten. Bekijk je de projecten, dan zou je ook eens moeten zien hoe het loopt met Nederlandse projecten die niet met zachte leningen worden gefinancierd', meent Mennes. 'Dan evalueer je pas echt. Bij toetsing van dit soort financiering moet het alleen gaan om een kosten-baten analyse en om de financieringscapaciteit van het ontwikkelingsland zelf.'

Hij noemt het ministerie van Ontwikkelingssamenwerking en het ontvangende land de hoofdverantwoordelijken voor het slagen van de projecten die met zachte leningen worden gefinancierd. De laatste tien jaar werd de export van Nederlandse kapitaalgoederen met 3 miljard mede-gefinancierd. Hij geeft toe dat het bedrijfsleven erop zou moeten aandringen dat de geleverde goederen ook onderhoud krijgen. 'Technische assistentie is essentieel', zegt Mennes, 'maar daar moet geld voor zijn. Ik zie die dienstverlening als een van de meeste effectieve manieren van ontwikkelingshulp. Daarop zou beter moeten worden gelet, ook door de leveranciers. Maar we moeten niet vergeten dat het allemaal onder verantwoordelijkehid van het ministerie van Ontwikkelingssamenwerking en van het ontvangende land wordt aangeschaft.'

Mennes vindt dat geen deeltoetsen, zoals bij voorbeeld naar de maatschappelijke relevantie en de effecten voor werkgelegenheid, moeten worden uitgevoerd bij een onderzoek naar het succes van hulp die met zachte leningen is gefinancierd. Zulke deeltoetsen kunnen volgens hem een volledig vertekend beeld geven. Kosten en baten moeten het belangrijkste criterium voor de beoordeling blijven. Mennes: 'Maar uit het rapport blijkt dat het met prijsstelling een ratjetoe was, en dat ook de administratie veel te wensen overliet. De minister is dus met dit rapport slecht bediend, want de toezichthouders zitten op zijn eigen ministerie.'