Vroeger toen alle oren elkaar nog verstonden, van ...

Vroeger toen alle oren elkaar nog verstonden, van mens en dier en schelp en blad, trouwde er eens een vrouw met een olifant en vertrok met hem naar zijn land. Ze kregen een kind en dat noemden ze Vlieg. Bij elke nieuwe maan gingen de olifanten-mannen jagen en bleven de vrouwen alleen in het dorp. De moeder van de vrouw had ook twee zonen en op een dag vroegen ze: 'Waarom zijn we toch zo alleen, waarom hebben we geen zusje?' 'Ooo', kermde de moeder, 'jullie hebben een grote zus, maar ze is jaren geleden vertrokken. Ze is met een olifant getrouwd. Daarom zien jullie haar nooit.' De twee broers besloten hun zus te gaan zoeken. Ze klommen op een os en reden naar het land van de olifanten. Aan de rand van het dorp waar hun zuster woonde, verborgen ze zich in het riet van een modderpoel. De os dook onder in de blubber. De volgende morgen namen de olifanten hun dagelijks bad in de poel. Wat waren de broers bang! Als ze niet rilden als een riet zouden ze meteen zijn ontdekt. Kleine Vlieg spatterde om de slurf van haar vader. 'Is dat niet het kind van onze zuster?' vroeg de ene broer. 'Moet wel', zei de ander, 'ze heeft de neus van onze moeder'.

Ze bliezen pluimen naar Vlieg, pluim na pluim. Tot Vlieg verbaasd de pluimen volgde en zo voor haar rillende broers stond. 'Herken je ons?' fluisterden ze. 'We zijn de broers van je moeder. Ga haar halen, maar zeg niemand anders dat we hier zijn.'

Vlieg haastte zich naar huis en zoemde het nieuws in haar moeders oor. Ze gingen meteen naar de modderpoel. 'We komen je halen', zeiden de broers, 'we missen een zus en je moeder mist haar dochter.'

'Het is hier veel te gevaarlijk voor jullie', jammerde de zus, 'als de olifanten jullie hier vinden, stampen ze je plat.'

De mannen kregen een schuilplaats boven in de punt van haar hut en samen met de os hielden ze daar de hele dag hun adem in. Toen het donker werd en de nieuwe maan een schil aan de hemel brandde, bonden de broers alle bezittingen op de os en reden met zus en Vlieg het dorp uit. Vlieg moest met haar rug naar de ossekop zitten, zodat ze achteruit kon kijken. 'Let goed op', zei haar moeder, 'als je vader ons volgt, moet je waarschuwen.'

Ze reden zo snel als een os kan gaan en plotseling riep Vlieg: 'Ik zie stof, veel stof, o, o, ik zie de voeten van mijn vader.'

De broers gaven de os een por en vluchtten naar een bergkloof. De olifant kietelde bijna aan hun hielen. De kloof werd smaller en smaller, zo smal dat de olifant bleef steken. Hij kon geen kant meer uit. Zijn romp zat vast en hij stierf. Sindsdien liggen er bergen tussen mensen en dieren, bergen van verschil. Daarom trouwen mensen niet meer met dieren. De olifanten zijn dat niet vergeten en om die reden zijn ze nog steeds boos op ons. De kleine Vlieg is bij haar moeder en de mensen gebleven. Onder het eten zit ze graag op de rand van je bord. Dat is een oud recht. Als ze zoemt vertelt ze dit verhaal. (Lees volgende keer waarom dode mensen altijd dood blijven). ADRIAAN VAN DIS (vrij naar geleerde boeken)