Oorlog tegen drugs (w.v.)

DE AMERIKAANSE oorlogsbodems voor de baai van Cartagena hadden een duidelijke functie: bescherming van de 'drugstop' van president Bush met zijn collega's van Colombia, Bolivia en Peru. De 'narcotraficantes' van Colombia maken de laatste tijd weer verzoenende geluiden, maar hun handel is volgens schatting van Amerikaanse functionarissen weer terug op bijna 80 procent van het oude peil. En dat geldt ongetwijfeld ook voor hun arrogantie. Alleen al de exceptionele veiligheidsmaatregelen rondom de top onderstrepen de ernst van de situatie. Concrete resultaten heeft de top niet opgeleverd. Van belang is wel dat Bush het al direct zo slecht gevallen plan om permanent Amerikaanse vlooteenheden voor de Colombiaanse kust te leggen niet heeft doorgezet.

De Verklaring van Cartagena ademt integendeel het besef dat de oplossing niet alleen kan worden gezocht bij de drie voornaamste cocaineproducenten maar evenzeer bij de supergrote afnemer van het witte gif. Ondanks het afzien van het omstreden vlooteskader - of wellicht juist door het uitblijven van harde afspraken - zocht de top van Cartagena het echter toch weer in het taalgebruik van de 'war on drugs'. DE OORLOGSRETORIEK maakt de ernst van de Amerikaanse bereidheid de oorzaak ook eens bij zichzelf te zoeken twijfelachtig. De speciale coordinator voor het drugsbeleid van Bush laat zich met graagte een typering aanleunen als 'Batman door het bovenraampje'. Intussen draagt volgens een recente studie met de titel 'The Cocaine Kids' een ongenuanceerde repressie, en de totale afwezigheid van kansen in het getto, er rechtstreeks toe bij dat kinderen steeds jonger te gronde gaan. Dat er reeds sprake is van een verloren generatie wil een (anonieme) medewerker van het Witte Huis, enige tijd geleden geciteerd in de New York Times, op zichzelf ook niet ontkennen. Waarom houdt Bush dan zo vast aan de oorlogsretoriek? Hij heeft gewoon geen geld (uitgetrokken) voor iets anders. Zijn 'nationale strategie' voorziet in behandeling van pakweg 300.000 verslaafden; alleen al in New York City zijn het er 875,000. Harde taal speelt in op een willige publiciteitsmarkt: in een recente meningspeiling van de New York Times/CBS bleek steun voor de stelling dat drugs het grootste probleem in de samenleving vormen in een jaar tijd van 20 naar 64 procent te zijn gesprongen. Interessant is ook de propositie dat de harde lijn verband houdt met touwtrekkerij - de spreekwoordelijke 'turf battles' - binnen het overheidsapparaat. Binnen de uitvoerende macht hebben dertig instanties boodschap aan het drugsbeleid (alleen al negentien aan de wetshandhaving als zodanig) en parlementair doorsnijdt dit de bevoegdheid van zeker vijfenzeventig commissies en subcommissies. 'All of them want a piece of the action', zoals dat heet, want budgettair gezien is drugsbeleid nog een van de schaarse kansen om er wat op vooruit te gaan. De resulterende stammenstrijd bevordert wel de harde lijn. HET ZIJN politiek allemaal begrijpelijke krachten die de oorlog tegen drugs op gang houden. Maar de vraag dringt zich wel steeds meer op of Bush en zijn kruisridders de werkelijke vijand niet missen.