Koetjes, kalfjes en koffie

Vanavond gaat Han de Wit in premiere, de verfilming van de vooral onder middelbare scholieren populaire roman Han de Wit gaat in ontwikkelingshulp. Filmmaker Joost Ranzijn deed geen moeite het boek trouw te volgen. Zijn Han laat het niet bij weifelen en somber fantaseren, hij gaat over tot een ademstokkende daad. En daar blijft het niet bij. Reden voor een gesprek over het verschil tussen vier Hannen de Wit.

Er werd weer een populaire Nederlandse roman verfilmd. De zoveelste. Nu is het wachten op het gekrakeel van literatuurliefhebbers die zich kwaad maken over wijzigingen en op het tegengas van de filmmaker. Die zal vele malen en in allerlei variaties plechtig verklaren dat hij Van Dit Boek Houdt. Dat hij oprechte trouw heeft betracht zo niet aan de letter dan toch aan de geest van de roman. Maar nee. Joost Ranzijn verfilmde Han de Wit gaat in ontwikkelingshulp (1972) van Heere Heeresma en hij beaamt zonder moeite of schuldbesef dat hij het boek op cruciale punten radicaal wijzigde. Heeresma's spot met het benepen milieu en met de uitzichtsloze omstandigheden van het gezin De Wit zijn nog herkenbaar. Maar uit zijn gevoelloze slapjanus die veel van plan is maar nooit iets doet, groeide Ranzijns gevoelige dromer die een wonder verricht. 'Ik wilde een figuur creeren die, door tegenslag gekweld, tot een grote daad zou komen. En daarvoor zag ik alle aanleiding in Han de Wit gaat in ontwikkelingshulp. Verder vond ik het mijn goed recht om een eigen idee uit te werken in het verhaal van Heeresma, ' stelt Joost Ranzijn (34) laconiek vast. Dat idee probeerde Ranzijn al tot uitdrukking te brengen in een film die De glimlach van een krokodil had moeten heten. 'Mijn publiek moet de medestander worden van mijn held. Als het goed is volgt het hem door dik en dun, ook als zijn pad anders loopt dan verwacht. Voor ze het weten worden de mensen meegevoerd in een avontuur dat ze tegen zou moeten staan.' Ranzijns korte film Man in de war (1984) speelde dat effect het sterkst uit. In deze absurdistische vertelling zien we een wereldvreemde man uit verdriet babies verzamelen. We zien hem de ene zuigeling na de andere ontvoeren, van plaids in parkjes en uit voor winkels wachtende kinderwagens, we zien hem in zijn rijtjeshuis in de weer met luiers en flesjes en in weerwil van het verdriet van al die arme ouders vatten we steeds meer sympathie op voor de kidnapper. Ranzijns speelfilmdebuut moest een stap verder zetten, vond hij: 'Ik dacht, als ze babyroof zo leuk vinden dan zal ik nu een taboe uitkiezen dat iedereen 't lachen vergaat. In het scenario voor De glimlach van een krokodil steek ik de draak met de dood en vervolgens bleef de financiering hangen op de aversie van instanties en commissies. Ik ging niet plechtig genoeg met het onderwerp om, kreeg ik bijvoorbeeld van de omroep-dramaturgen te horen.'

Toch is er wel meer gespot met de dood. In Flodder komt de opa onbeschaafd terloops onder een trein. Niemand van de personages kijkt ervan op, niemand besteedt er aandacht aan. 'Dick Maas (de regisseur van Flodder) stileerde dat ongeluk en de nasleep zo dat je het niet ernstig hoefde te nemen. Die opa was dood net zo lollig als levend. Ik wil meer cynisme. Ik vraag om een gevoel voor understatement en dat brengen velen niet op bij dit onderwerp.'

Ook kreeg Ranzijn problemen over de psychologie van zijn personages.

'Ik weiger psychologisch alles netjes op een rijtje te zetten. Ik vind het leuk om van een lafaard de grootste held te maken, of dat nou logisch is of niet.'

Ranzijn kon Krokodil niet van de grond krijgen.

Veel wil hij er voorlopig niet over kwijt. Hij hoopt nog steeds het scenario ooit te kunnen verfilmen. Een kennis attendeerde Ranzijn op Heeresma's roman. Hij las het boek en herkende 'die eindeloze eenzaamheid van de puberteit die hand in hand gaat met een niet te verwoesten optimisme. Het knappe van Heeresma vond ik hoe hij humor put uit de nutteloosheid van alles wat Han verzint.'

In Han de Wit kon hij kwijt wat hem in Krokodil niet was toegestaan. Het taboe dat hij omverschopt is niet dat op de dood, maar het hangt er tegenaan. 'In het boek is Han de puber der pubers, de Prins van het Niets. Die Prins heb ik een stap verder laten zetten, zijn fantasieen heb ik uitgewerkt tot daden. Ook al leiden zijn dromen tot acties, die zijn nog steeds zo hopeloos en onzinnig dat het Niets zijn koninkrijk blijft.

Han begint laf als in het boek, maar ik provoceer hem om het daar niet bij te laten, om zich te verweren tegen het gezinsleven dat een definitief blok aan zijn been dreigt te worden.'

IJselijk En zo komt de film-Han tot een daad die ieder idee over wat je doet en niet doet tart: na clandestien een keertje de kunst van de chirurg te hebben afgekeken, voert hij, met uit een ziekenhuis gestolen apparatuur, op de keukentafel zelf de operatie uit die de artsen zijn vader niet waard vinden. Het werd een ijselijke scene, een die, zoals Ranzijn direct zelf vaststelt, verhaaltechnisch bijna niet waar te maken is. Hij bedwingt hem met het gewiekste quasi-realisme dat hij ook voor zijn eerdere films hanteerde. De personages lijken uitvergrotingen van een mogelijke werkelijkheid, maar die indruk is bedriegelijk. Ranzijn: 'Ze kunnen niet van vlees en bloed zijn, want dan zouden bepaalde reacties en daden uitgesloten zijn. Dan zou Hans moeder bijvoorbeeld niet overgehaald kunnen worden om te assisteren bij de operatie. En Han blijft de innemende stoethaspel, ook als hij het mes zet in zijn vaders been. Enge films houden zich in als het werkelijk eng wordt, daar zijn we allemaal op geconditioneerd. Ik neem het publiek charmant bij de hand. Terwijl het denkt, dat doet ie niet, laat ik het zien wat het niet wil zien. En zodra het zich realiseert dat Han echt gaat snijden, zit het in de achtbaan. Dat duurt totdat Hans moeder boven de opengelegde spierbundel vraagt, 'Zoek je iets?' Dan krijgt iedereen de slappe lach. Tenminste, dat is de bedoeling. Dan heb ik ze waar ik ze hebben wil: ze lachen om iets waar ze normaal gesproken geen grappen over verdragen.'

We leggen ze naast elkaar - de Han de Wit van Heeresma's boekomslag en een foto van Ranzijns Han de Wit, gespeeld door de acteur Koen de Bouw. De eerste de onaantrekkelijke achterbakse hark uit het boek, de ander een stralende jongen met een open blik en een ontwapenende naiveteit. Ranzijn zegt dat hij de Hannen nooit zo direct heeft vergeleken. Hij grijnst en ziet er bijna verlegen uit: 'Ze hebben weinig meer van elkaar weg. De boeken-Han was mij te enkelvoudig.

Hij is zo ontdaan van ieder sociaal gedrag dat hij op film geen meegevoel meer zou wekken. Op papier is hij groots, doordat Heeresma een venijnige, intieme relatie laat ontstaan tussen de lezer en Han.

Die lezer blaast 'm zijn eigen adem in. In de film moest die adem van mij komen. En ik kon geen puistenkop met zweethanden gebruiken, omdat ik het publiek wilde laten meegaan in die verschrikkelijke daad. Daarom heb ik gekozen voor een doorsnee aantrekkelijke Han, voor een type van wie je zoiets helemaal niet verwacht.'

Schuin achter en boven Ranzijn torent nog een derde Han uit. Een Han de Wit met razend samengeknepen wenkbrauwen, klaar om een grote globe aan stukken te smijten. Hij is het middelpunt van het affiche dat de kunstenaar Joost Veerkamp ontwierp voor Han de Wit. De distributeur van de film keurde Veerkamps ontwerp af. Het hangt nu werkeloos in Ranzijns kantoor en zal gebruikt worden voor de buitenlandse markt: 'Het laat een jongen zien die zijn eigen wereldje platsmijt met de hele wereld. Het duurt kort, maar dat gooien met een globe zit in de film.' Dat gooien wel, maar de heftigheid van Veerkamps Han ontbreekt. 'En toch is dat precies wat ik Veerkamp heb gevraagd om uit te drukken.

Ik vind dat een affiche alle honderden shots van een film moet samenbrengen in een beeld. Han de Wit wil helemaal niet komen tot de daden die hij verricht, hij wordt daartoe gedwongen door gebeurtenissen buiten hem om. Veerkamps affiche met de woedende Han geeft het enige besluit weer dat we Han zien nemen. Het verwijst naar het moment dat Han niet langer duldt hoe het lot van zijn vader zijn eigen noodlot invult.'

Oneerbiedig Om het ingewikkelder te maken: Han de Wit heeft nog een vierde gedaante, want Heeresma bedacht hem als reactie op Reves personage Frits van Egters. Han de Wit gaat in ontwikkelingshulp werd geschreven als pastiche op Reves De avonden. Beide romans werden ongeveer tegelijk verfilmd. Schrok je toen je hoorde dat De avonden ook een film zou worden? 'Nee. Ik raakte alleen even in paniek toen ik begreep dat De avonden ook begon met een nachtmerrie die aan het slot van de film een oplossing eist. Maar ik wist dat De avonden nooit zo'n leuke film kon worden als ik van plan was te maken met Han de Wit en ik bedacht hoe plezierig het was dat de zaken niet andersom lagen. Rudolf van den Berg zou Han de Wit ernstig en psychologisch benaderd hebben. Arme Han, die verdraagt geen psychoanalyse. En ik zou De avonden te oneerbiedig behandeld hebben. Surrealistischer, met veel meer liefde voor Frits en wie weet was de oude Van Egters dan op de operatietafel terecht gekomen.'

Soms lijkt Han de Wit toch een directe parodie op de verfilming van De avonden. 'Dat ging vanzelf. De moederbron is zo expliciet, er viel niet aan te ontkomen. Heeresma zelf laat zich overigens alleen mystiek uit over het verband tussen de twee. Het is wel duidelijk dat hij met dit boek een punt wilde zetten achter een bepaalde soort Nederlandse literatuur, achter de typische waarden van het naoorlogs gezin: vader wint kost, moeder slooft, kind is monddood.'

Zet jij ook ergens een punt achter? 'Ik smijt lekker grof grote klodders op de Nederlandse filmcultuur. Toen ik op de filmacademie zat, was 'Nederlandse film' wat mij betreft een scheldwoord. Werd er een vertoond dan liep ik met afgewende blik langs de bioscoop. Er is geen land ter wereld waar de oorlog zo onbeduidend is verlopen en waar er zo veel oorlogsfilms zijn gemaakt. En nergens was men zo weinig in staat de eigen generatie gestalte te geven. Alleen Wim Verstappen en Pim de la Parra probeerden dat, maar die joegen me weer weg met al dat malle bloot. Ik heb nooit begrepen wat ze bezielde. Door hen heb ik zo'n afkeer van bloot op film gekregen dat ik nog steeds schroom een acteur zijn kleren uit te laten trekken. En ook nu nog grijpt men voornamelijk naar het verleden of naar een boek. Al die befaamde zeevaarders ten spijt staat de neiging naar huis en haard hier al eeuwen nummer een op het culturele programma. Koetjes, kalfjes, koffie, en dat kabbelt maar voort.'

Jouw Han de Wit is ook een boekverfilming en gaat over een gezin. 'Jane (Waltman, Ranzijns co-scenariste en producente) en ik zeiden tegen elkaar, laten we nu een film over Nederland maken.

Laten we die vader/moeder/kind-relatie op de spits drijven en tot op het bot uitspitten, laten we ervoor zorgen dat na onze film iedere Nederlandse cineast verplicht is zijn heil buiten de deur te zoeken.

Daartoe hebben we Nederland en de Nederlandse film in al zijn elementen ingedikt.'

Dat uitgangspunt is niet uniek voor Han de Wit. Ranzijns eerdere films verraden samen met Han de Wit een opmerkelijke, zelfs ongebruikelijke stijlvastheid die zich steeds toelegt op iets wat 'zwemen naar Holland' zou kunnen heten. De lokaties, de aankleding, de decors, ze zijn vervreemdend van eenvormigheid en zo gekozen dat ze constant de typisch Nederlandse, bedrijvige kleinschaligheid echoen.

Ook Ranzijns kleuren doen steeds opzettelijk Nederlands aan. Zo is een eenzame benzinepomp van zulk helder rood dat de voor de hand liggende associatie met de pompen uit alle Amerikaanse road movies uitsluit. Niet aan de schilderijen van Hopper denken we, we associeren deze pomp in dit rood met een oerhollandse kindergedichten-sfeer.

Hetzelfde geldt voor Ranzijns altijd blauwe luchten met hun bolle, witte wolken. 'Vakantieluchten', noemt hij ze 'de luchten van logeren bij oom en tante.'

Een ander typisch Nederlands accent ligt bij de dialogen. Ranzijn: 'Moeder de Wit zegt tegen vader: 'Neem even een paar medicijnen tegen de pijn'. Het zogenaamde 'realistische Nederlands' van televisie-series had daar 'neem je medicijnen' van gemaakt.

Maar ik vind het juist zo lief, dat 'even', dat 'een paar' en dat 'tegen de pijn'. Moeder begrijpt niet wat er aan de hand is, maar ze zegt wat ze voelt. Daar gaat het me om. Ik geloof dat de werkelijkheid tastbaarder wordt naarmate personages onzinniger dingen zeggen.

Ga maar luisteren op verjaardagen en tramhaltes, je hebt zo een schrift vol. Ik vind ze altijd waar en altijd veelzeggend. 'Je kunt die jongen toch niet zo de regen in sturen' heb ik gebruikt in Man in de war of, in Denk aan mij (een andere korte film van Ranzijn): 'Bedankt voor de gastvrijheid'. Een gouden zin.'

    • Joyce Roodnat