Het woord rekeningrijden

Weer komt een verkeersbewindsvrouw met dat woord, en weer denk ik: een verkeerd woord. Terwijl er gratis en voor niks een uitmuntend Hollands woord voor klaar staat. Wie voor het werkwoord rijden een zelfstandig naamwoord plakt, geeft aan dat het rijden met een bepaald tuig geschiedt (auto-, paard-, zelfs: sleetje-, schaatsen-) of een bepaald traject volgt (baantje-, figuur-). Maar hoe zit het met die rekening? Iedereen die rijdt betaalt ervoor. Rekeningrijden zou een goed woord voor leasen zijn. In 'rekening' zit het idee: later betalen. Maar de ministerin wil ons wel degelijk vooraf laten bloeden. Een technisch bezwaar is de onmogelijke vervoeging: ik rij rekening? Ik rekeningrij? Al eeuwen weten we hoe het heet om voor een bepaald stuk weg op een bepaalde tijd te moeten betalen: Tol. Juist nu de kinderpirouette het kind van de autooverlastrekening is geworden, zou tolrijden precies de goede term zijn. Maar iedereen beseft dat het voorstel onserieus is. Daarom gaf de ministeresse aan een slecht idee een slechte naam.