Gegijzelde monumenten

Voor mijn raam heeft zich een ramp voltrokken. Het drama is weliswaar nog niet voltooid, maar heeft wel al zoveel gestalte gekregen dat de slotsom 'ramp' definitief kan worden gemaakt. Voor mijn raam heeft de Skandinavische luchtvaartmaatschappij SAS een Royal Hotel gebouwd. De geschiedenis heeft zich afgespeeld in het oudste deel van Amsterdam, aan het Rusland, een korte, brede straat tussen de Oude Zijds Achterburgwal en de Kloveniersburgwal, vlak achter het oude Stadhuis dat op het ogenblik ook duchtig door de slopers onder handen wordt genomen. De Skandinaviers hebben hun hotelonderneming niet kinderachtig aangepakt.

Driekwart van de bebouwing aan beide zijden van het Rusland werd opgekocht. Onder deze indrukwekkende verzameling onroerend goed bevindt zich onder andere het voormalige hoofdkantoor van de papiergroothandel Proost en Brandt - in de achttiende eeuw beroemd als hotel Het Wapen van Amsterdam waar de Oostenrijkse keizer Joseph II nog logeerde - en een aantal zeventiende-eeuwse huizen waarvan twee de mooiste Louis XVI-geveltjes van de stad bezitten. Omdat een deel van het Skandinavische eigendom aan het Rusland op de Monumentenlijst staat, moest het reusachtige Royal Hotel heel voorzichtig in de historische stadswijk worden ingeweven. De monumenten bleven als kostbare decorstukken overeind en de fantasieloze architectuur uit de jaren vijftig van deze eeuw - in die tijd in de plaats gekomen van de gesloopte negentiende-eeuwse 'waterstaatskerk' De Star tegenover mijn raam - die zich tussen de monumenten had genesteld, kreeg de sloperskogel. Ondanks het kabaal, de overlast en de terreur van de beroepsvernietigers vond ik het niet erg dat deze bebouwing uit mijn gezichtsveld verdween. Aan architectuur hebben de jaren vijftig in ons land niets waardevols opgeleverd en dit grove, morsig ingevulde betonskelet zag ik met vreugde tegen de vlakte gaan. De eerste fase van de hotelopbouw die ik daarna uit mijn raam kon volgen, was buitengewoon spectaculair. Voor het aanbrengen van nieuwe fundering en nieuwe kelders werd de grond onder de monumenten weggegraven en bleven de Louis XVI-geveltjes op ijzeren palen wonderlijk in de lucht zweven als Balinese vissershuisjes boven het water.

En tussen de wankele monumenten verrees langzaam maar zeker ongeveer hetzelfde betonskelet als een paar maanden daarvoor op dezelfde plaats was afgebroken. Om de buurt niet geheel onvoorbereid op het komende bouwsel te laten, hadden de Skandinaviers aan het begin en aan het eind van de straat, op de hoekpunten van het bouwterrein tegen de gevels van hun nieuw verworven eigendommen, borden getimmerd met de 'cast' van het bouwwerk en een afbeelding in vogelvlucht die moest laten zien hoe het allemaal zou worden. Zo'n artistieke impressie waarmee de gebroeders Das zijn grootgeworden, maar zo vaag en zo hoog opgehangen, dat het onmogelijk was van het ontwerp een behoorlijke indruk te krijgen. De naam van de architect was wel goed te lezen: Boparai Associates bv. Enige navraag leerde me dat de van origine Indiase Boparai de kneepjes van het vak had opgestoken bij het bureau Gerard de Klerk, specialisten in de kunst van het hotelontwerpen en in Amsterdam onder andere verantwoordelijk voor het Marriott gevaarte bij het Leidseplein en het neo- Oudhollandse Barbizon Palace Hotel op de kop van de Zeedijk. Met deze achtergronden in mijn hoofd stond ik gespannen uit mijn raam te kijken toen de eerste gevelpanelen op grote vrachtwagens werden aangevoerd. Het voor de architectuur fatale moment was nu dichtbij en in een paar dagen zag ik, hoe de basis werd gelegd voor het onafwendbare drama. Aluminium lijsten met afwisselend ruimte voor vierkante raampjes en rechthoekige muurvlakjes werden omhooggehesen en tegen het betonskelet geschroefd. Tussen brede, verticale betonnen stroken onstonden reeksen van boven elkaar gelegen, gezellige erkertjes, die je de goedkoopste sociale woningbouw nog niet zou toewensen. En toen een paar dagen later de muurvlakjes in de alumium wissellijsten met donkerblauwe kunststofpanelen werden gevuld en een bouwopzichter me had verzekerd dat de betonnen banden onbedekt zouden blijven, was de ramp compleet.

Waar eerst een schoolvoorbeeld van onverschillige jaren vijftig-architectuur had gestaan, was nu een monumentaal cliche van de massa-architectuur van de jaren tachtig verrezen. Dit beeld zal ik voortaan zien als ik uit mijn raam naar buiten kijk, dit staaltje van kantine-bouwkunst dat notabene ook nog een paar schattige monumentjes met geweld gegijzeld houdt. (Zullen ooit die verwonderde, hulpeloze uitdrukkingen van hun gevels verdwijnen?) Ik sta voor mijn raam en vraag me af waar de nieuwe architectuur de arrogantie vandaan haalt om vaak zo klakkeloos, zo onbehouwen de geduldige ruimte van de stad binnen te dringen. Hoe is het mogelijk dat al die Boparais, met hun ideeen die nog armzaliger zijn dan hun materialen, in deze stad, in dit land de onbekommerde vrijheid krijgen om de architectuur zo te doen degenereren? Welstandsraden, schoonheidscommissies! Waar zijn jullie? Ontgoocheld sluit ik de gordijnen.

    • Max van Rooy