Een stekje in een melkfles

Vannacht is er onophoudelijk aan de deur van mijn hotelkamer gemorreld. Iemand probeerde met een schroevedraaier het slot te forceren, zoals in een misdaadfilm de code van een kluis langzaam maar zeker wordt ontcijferd. Tikjes van ijzer op ijzer, een kreunende deurknop, een zucht. Of fluistert daar iemand? Angstig bedacht ik uitvluchten. Van dertien hoog naar beneden springen? Welke herinnering zou er op zo'n moment nog door mijn hoofd gaan? Gillen? De deur openrukken? In de gang stond niemand. Het was alleen de wind die urenlang door het trappenhuis van dat ronde flatgebouw spookte. 's Morgens zijn die angsten me net zo vreemd als de grijze figuren die ver beneden me tussen de kale populieren over het asfalt slenteren. In die nacht is de lucht boven de stad schoongeveegd. Voor het eerst staan de zachtgele villa's op de heuvels van Boeda als sjablonen tegen de hemel, aan de Donau doemen de torens en tierelantijnen van het parlementsgebouw weer op. De burcht met het veel te mooi gerestaureerde Vissersbastion rijst hoog boven de boulevards uit, precies zoals het op de ansichtkaarten hoort.

Alle voorafgaande dagen hebben smog en mist deze stad geterroriseerd. Een permanente alarmfase. Kinderen hoesten als zware shag- rokers. Het is een angstaanjagend gerochel uit de spelonken van hun longen. Op het Moskou-plein, waar het stadsverkeer zich verzamelt, laten de buschauffeurs hun motoren draaien, omdat ze ze na het afzetten niet meer kunnen starten. De voorname gevels hebben dezelfde antraciet-tint aangenomen als het trottoir. Versierde daklijsten zijn verkruimeld. Negentiende-eeuwse nimfen en goden, die timpanen torsen, verliezen steeds meer plooien en rimpels. Op sommige smeedijzeren balkons zou ik alleen nog als duif durven zitten, omdat de ondersteuning ontbreekt. Mensen sparen hier jaren voor iets dat op een auto lijkt, om hem daarna nooit meer schoon te maken. Waarom zou je dat nog doen als het vuil de volgende dag bij bakken uit de hemel op het lak neerstrijkt. Er zijn andere prioriteiten. Toch had ik heimwee gekregen naar dat smerige Boedapest, naar dat verval dat onder het toeziend oog van de partijbonzen teugeilloos zijn gang kon gaan. De Hongaarse cameraman en fotocollectioneur Sandor Kardos had me twee maanden geleden naar plekken gebracht die ik niet zal vergeten.

We kenden elkaar van een tentoonstelling in Rotterdam waar hij een serie amateurfoto's uit zijn verzameling liet zien. Later, bij hem thuis aan de keukentafel, onder een peertje, kwamen andere foto's te voorschijn. Een dik album uit het persoonlijk bezit van de stalinistische partijleider en premier Matyas Rakosi, de baas van Hongarij in de jaren vijftig, wiens hoffotograaf alle officiele ontvangsten knielend vastlegde, om zijn baas groter te doen lijken dan hij was. Ik zag op foto's hoe de verdwenen Hongaarse patriciers van elkaar genoten op cocktails en picknicks en hoe een Rode Kruis-verpleegster zich met een vriend liet portretteren terwijl achter hen een bom insloeg. Het liep goed met hen af. Kardos en zijn vrouw gniffelden voortdurend, schaterden zelfs, alsof ze hun eigen collectie voor het eerst zagen.

Computers Samen met de regisseur Peter Vajda, collega van Kardos, bezochten we toen een uitgebrande gasfabriek, de locatie van zijn film over een onderwijzer die in opdracht van een gangsterbende computers uit Oostenrijk moet smokkelen. Zoals de meeste Oosteuropeanen hunkeren de Hongaren naar de voor hen onbetaalbare elektronica. Hoofdrolspeler Peter Andorai, een neerslachtige Jean-Paul Belmondo, faalt in de misdaad: Weense boeven, een bordeel, zigeuners, een mislukte liefde; de weg leidt uiteindelijk terug naar huis, illusies over het Westen zijn er niet meer. Boven de ingang van die gasfabriek stond 'Fluchtlingslager' geschilderd en affiches langs de weg met leuzen als 'Man ist, was man liest' moesten ons doen geloven dat we in Wenen waren. De filmers kregen namelijk destijds geen toestemming opnamen te maken in een echt Weens vluchtelingenkamp. Volgens het script zouden daar de filmboeven wonen die de onderwijzer bij zijn strooptocht hielpen.

Als vluchtelingen recruteerde de regisseur dan maar een ploeg inwoners van Boedapest. Voor het maken van de opnamen hadden ze zich op die kille morgen in hun gebruikelijke tweede- en derdehands kleding en plastic laarzen opgesteld bij de portiersloge van de gasfabriek. Door hun veel te kleine jassen leken ze op ingesnoerde rollades. 'We vroegen het modellenbureau om ons slechtuitziende, zieke mensen te sturen', zei Vajda; 'dat was geen probleem, het hele land komt daarvoor in aanmerking'.

De fabriek zelf bestond uit een woestenij van zwartgeblakerde gebouwen. Aan de plafonds hingen gastanks, zo groot als hete luchtballonnen. 'Het waarachtige decor van een Oostblok-drama', grijnsde de regisseur. Uit kuilen in de grond stegen rookpluimen op.

Niemand wist waar die sissende dampen vandaan kwamen. Uit verkoolde pompen en afsluiters kroop af en toe iets vettigs naar buiten. Vajda beklaagde zich nog over het kleine budget voor zijn film. Maar eigenlijk kwam dat de stijl van zijn produktie wel ten goede, vond hij. Hongaren houden niet van Hongaarse films. Ze willen naar Emanuelle de zoveelste, die toen net in premiere was gegaan. Het ontbreekt hen na veertig jaar onderdrukking aan zelfbewustzijn, zei hij. 'Mij hebben ze ook voor een deel kapot gemaakt. Af en toe heb ik zin om iemand iets aan te doen.'

Die eerste reis eindigde in een bezoek aan een joodse begraafplaats, tegenover een containeropslagplaats. Een gemeen hondje probeerde ons tegen te houden. Hij zat achter een hek, vastgebonden aan een waslijn, samen met een lege pan. Beide maakten een kabaal van jewelste. Op die begraafplaats aan die doodlopende weg zagen we hoe de mooiste art deco-monumenten tot puin zijn geslagen, hoe grafkelders zijn geplunderd, hoe lijkkisten als lege sardineblikjes schots en scheef in de diepte zijn gesmeten, hoe obeliskachtige zerken van hun sokkels zijn getrapt, hoe mausolea van hun mozaieken zijn ontdaan, hoe Hebreeuwse teksten zijn verdwenen achter davidsterren en swastika's van druipende, zwarte spuitverf. Op de familiegraven prijkten marmeren prielen, ontoegankelijk door een woekering van struiken en klimop, die hun tentakels over paden, hekjes en sierstenen hadden uitgespreid. 's Zomers zoeken reizigers hier een slaapplaats, in winterse nachten wordt er nog steeds geroofd, beweren inwoners van Boedapest. De joodse gemeenschap in Amerika maakt jaarlijks enkele miljoenen over voor het onderhoud van de graven. Dat raakt ook jaarlijks zoek. Het blijft achter in een een of ander ministerie. Niemand weet er het fijne van. Misschien hebben partijbonzen daar al die jacht- en schranspartijen wel van betaald, zei onze gids. Om andere mensen op te zoeken, om nog eens, en dit keer beter, te kijken op die begraafplaats, om er foto's te maken, ging ik terug naar Boedapest. Kipsalade De prijzen van levensmiddelen zijn schrikbarend gestegen. De klanten geloven de kassa's niet meer. Een oude dame weifelt over de aankoop van een citroen. Ze pakt hem op, kijkt, aait, en legt hem weer terug. Misschien moet ze wel rondkomen met een vijfde van het bestaansminimum, zoals zoveel Hongaren. In hetzelfde hotel-restaurant van twee maanden geleden is de omvang van een kipsalade tot de helft teruggebracht. De '24 hours non-stop supermarket' heeft zulke venijnig roze koekjes in de aanbieding dat ik ze alleen als rattengif zou opdienen.

De uitslag van de naderende verkiezingen moet dit voorjaar een eind maken aan de besluiteloosheid van ministeries en buitenlandse investeerders. Op vele beslissingsniveaus heerst windstilte. De politieke discussies laaien hoog op in kringen van schrijvers en kunstenaars. Het grote publiek vertrouwt nauwelijks iemand die met de politiek van doen heeft, want zoveel goeds heeft het bestuursapparaat de afgelopen vier decennia niet opgeleverd. Zoveel goeds? Voor de meesten eigenlijk niets. Polemieken in kranten over diezelfde verkiezingen hebben kostbare vriendschappen tenietgedaan. Het sluimerende antisemitisme krijgt, net als in de Sovjet-Unie en Roemenie, opnieuw contouren. Men heeft het weer gemunt op joodse journalisten. En zijn er geen joodse mensen in de buurt om je rancune op te botvieren, dan zijn daar altijd nog de zigeuners. Eerst waren het blijkbaar viespeuken en dieven. Nu sommigen van hen studeren en zaken doen, is vooral hun welvaart reden tot discriminatie. Haat of geen haat, wraak of geen wraak; het houdt velen bezig. Van het regeringsgebouw is deze week de triomfantelijke rode ster naar beneden gehaald. Het verleden wordt onttakeld. Het Museum van de Hongaarse Arbeidersbeweging is al eerder ontruimd. Nieuwe regimes maakten vroeger steeds korte metten met de nalatenschap van hun voorgangers. Dit keer gaat men behoedzaam om met de fossielen van het communisme. De museumdirectie wil de collectie keurig conserveren voor het nageslacht, want er is al teveel verloren gegaan. In diezelfde museumzalen heet nu de Amerikaanse president Bush, als lachende poster, de inwoners van Boedapest welkom. Zijn land pronkt hier met technologische snufjes als hersenscanners, hologrammen, en met protheses, waarmee basketballers blijkbaar net zo snel kunnen lopen als voor hun amputatie. De Hongaren krijgen er geen genoeg van, ze luisteren met open mond naar de tolken van het vlotte Amerikaanse bedrijfspersoneel.

Watergate Wie zich helemaal niet op straat kan vertonen, is een ambtenaar van het ministerie van binnenlandse zaken, afdeling inlichtingendienst. Zijn voormalige collega's hebben niet alleen hem, maar ook zijn gezin bedreigd. Ze willen zijn kinderen doodrijden. Hij heeft grote bruine ogen, vlassig grijs haar, is 47 jaar, maar ziet er twintig jaar ouder uit. Met opgetrokken schouders en frontaal gefilmd, vertelde hij waarom hij is 'doorgeslagen'. Zijn relaas veroorzaakte het Hongaarse Watergate-schandaal. De minister van binnenlandse zaken moest opstappen. Waar de ambtenaar nu is weet niemand. In een montagekamer van de Balazs-studio vertelt filmproducente Marta Ilbert hoe haar filmcollectief Black Box de primeur van het schandaal kreeg. Bij de herbegrafenis van Imre Nagy, vorige zomer, en een half jaar later bij sympathiebetuigingen aan het adres van de Tsjechen in het centrum van Boedapest kreeg de ambtenaar gewetenswroeging. Bij die gelegenheden hoorde hij goed in de gaten te houden wie er wel en wie er niet aanwezig was, maar hij klampte een priester aan, die hem in contact moest brengen met Black Box. Dat groepje kende hij uit de geheime dossiers. In het ministerie liet hij de cameraman de lijsten met namen filmen van hen die werden afgeluisterd. In de filminterviews zegt hij bang te zijn, en verscheurd te worden tussen plichtsgevoel en openhartigheid. 'Black Box wil de waarheid achterhalen, zuivere informatie verstrekken, want alle teksten en beelden zijn hier jarenlang gemanipuleerd', zegt Istvan Javor, een van de drie leden van het nu in brede kring gerespecteerde collectief. 'De publikatie van een foto uit de film Dracula bijvoorbeeld was vroeger uit den boze, omdat onze buurman Ceausescu daar aanstoot aan zou kunnen nemen. 'We filmden hier de transporten van de partijdossiers naar de vernietigingsmachines en we filmden in Praag de laatste stuiptrekkingen van het oude regime. Onze cameraman werd er in elkaar geslagen. We maakten het eerste interview met dominee Tokes en we interviewden de politieofficier, in wiens opdracht niet lang geleden hier nog demonstraties uiteen werden geslagen. Een vriendelijke man die zich beriep op zijn plichten'.

Marta en Istvan van Black Box zien er doodmoe uit. Tussen de stapels filmdozen rinkelen onophoudelijk telefoons. De enige versiering in hun grauwe kamers is een onduidelijk stekje in een koffiemelkfles. Ze willen in de toekomst blijven filmen, onafhankelijk van de staatsstudio Balazs, omdat 'de rechten van de mens zo vaak worden verkracht en daaraan voorlopig geen einde zal komen'.

Maar eerst moeten de opnamen rondom 'Watergate' een documentaire worden voor vertoning in bibliotheken en kleine zalen. Taxichauffeur 's Avonds kan de taxi-chauffeur het opgegeven adres niet vinden. Hij wordt boos, dendert langs een onverlicht spoorwegemplacement, en zwijgt.

Om hem en vooral mezelf gerust te stellen probeer ik in het Duits en met gebaren een gesprek te voeren. Hoe lang moet hij werken elke dag?: 'Drunk people, strong men', antwoordt hij. Bij een gammel hek zet hij me af. Daarachter ligt een duistere tuin. Er slingert een trap omhoog, over een stijle heuvel, een Hollands duin. Daar, voorbij die winterse wildernis staat ineens een Jugendstil-villa, waar in een van de appartementen warm licht schijnt. Een huis als een vuist tegen de wereld. Was het niet Ed Hoornik die dat dichtte? Hier woont de beeldhouwer Gyorgy Jovanovics in hoge en diepe kamers. Kijk goed, hij lijkt op een vogel, had zijn vriend gezegd.

Die vriend heeft gelijk. Een spits gezicht, een forse slanke neus, een nerveuze jongen. Hij blijkt 51 jaar te zijn en spreidt bij alle mogelijke gespreksonderwerpen zijn armen als hoekige vleugels. Daarna stijgt hij op naar andere sferen, zijn ogen zien niets uitwendigs meer, hij filosofeert razendsnel in het Duits, want hij heeft lange tijd in Berlijn gewoond. Jovanovics heeft weinig met die joodse, maar alles met een andere begraafplaats te maken. Uit tweehonderd inzendingen is zijn ontwerp gekozen voor het grote monument op Rakoskesztur, de plek waar de in 1958 vermoorde president Imre Nagy deze zomer is herbegraven. Jovanovics wil een ondergrondse, zeskantige zuil laten aanbrengen, op dezelfde diepte als waar het lijk van Nagy is gevonden. Staand op de bovenkant van die zuil zullen de bezoekers van het park het lange marmeren pad zien met de daarin gebeitelde namen van hen die na 1956 achter in dat park zijn gedumpt. Via een geheime deur ontdeed men zich van hun lijken. Die deur zal straks, gemarkeerd door zwarte zuilen, geen geheim meer zijn. Aan het eind van dat pad zal een marmeren plateau verrijzen met een spierwitte sarcofaag, een net zo witte obelisk, en met vier zwarte hoekzuilen, als 'markering van het rouwgebied'. De sarcofaag krijgt geplooide wanden, alsof er laken overheen hangt, en in de obelisk worden ondiepe, abstracte reliefs aangebracht, waarmee het zonlicht kan spelen.

Onder het plateau, rustend op een pilaar en reusachtige basaltblokken, is in de verte, in een ander brok steen een imaginaire deur te zien. Een verwijzing naar de schijndeuren van Egyptische graven.

Geen enkel onderdeel van het monument is zonder symboliek. 'Het moet licht en zwevend zijn, als een gedachte. Het marmer mag geen marmer zijn, maar sober wit beton. Ondanks de toepassing van die zware materialen, zal het beeld materieloos verwijzen naar het 'Jenseits'.

Het zonlicht zal steeds voor schaduwen zorgen op die obelisk, want zonder licht is er geen beeldende kunst'.

Jovanovics is niet echt blij met deze opdracht. 'Ik maak liever een mooie sculptuur in de vrije ruimte dan een herdenkingsmonument voor vierhonderd gevallenen'.

Hij laat foto's zien van zijn witte, abstracte beeld voor het Olympisch Park van Seoul. Buitenlandse musea kochten zijn kleinere, minutieus in gips gegoten, geometrische sculpturen. Voor Hongaren zijn ze te duur. 'Het doet me verdriet dat al mijn werk in het buitenland is'.

Tijdschrift Over de joodse begraafplaats ben ik nog steeds niets te weten gekomen. Vergeefs probeer ik contact te krijgen met een rabbijn en met de opperrabbijn van Boedapest. Een huishoudster neemt de hoorn op, begrijpt me niet en legt neer.

Janos Kobanyai zou me kunnen helpen, zo was me verteld. Opgeleid als jurist werd hij hulpverlener en daarna schrijver, precies zoals zijn grote voorbeeld Gyorgy Konrad. Kobanyai geeft een tijdschrift uit voor de joodse gemeenschap, want dat mag nu weer. Er is sprake van een joodse renaissance, zegt hij. Jonge mensen verdiepen zich weer in hun eigen en in de nationale joodse geschiedenis, maar in sjoel laten ze het afweten. Er komen foto's op tafel van vervallen synagogen. Een van de mooiste, naar een ontwerp van de Weense architect Otto Wagner, is niet lang geleden voor een habbekrats verkocht om er een een financiele beurs in te huisvesten. Die ene begraafplaats? Nee, daar weet hij niet veel van. Op die laatste dag in Boedapest stopt er een taxi op die dezelfde doodlopende weg, bij datzelfde hek, en bij datzelfde hondje. Sinds twee maanden geleden lijkt er niets veranderd. Er is maar een klein verschil: Vandaag zit dat beest niet vast aan een waslijn. Het rent als een woedend tijgertje op ons af, laat zijn hele gebit zien en probeert al door de tralies in onze benen te bijten. Een Hongaarse grote mond van Judit, die met me is meegegaan, helpt niet en de opzichter, die vlakbij in een huisje moet wonen, geeft niet thuis. We wachten nog even, totdat we niet meer weten waarop we wachten.

Als we bijna uit het zicht zijn verdwenen, komt het hondje tot bedaren.

Het dribbelt tevreden terug naar het uitgebrande gebouw dat eens een gebedsruimte was. Achter die verschroeide muurstompen is het al bijna donker.