De DDR als stofzuiger met superzuigkracht

ROTTERDAM, 16 febr. - Minister Kok heeft goede verwachtingen over de Nederlandse gevolgen van de Duits-Duitse monetaire eenwording. De gulden blijft hard, gekoppeld aan de D-mark. Na de afgelopen weken van onzekerheid, die leidde tot stijgende rente, zal de rente weer kunnen dalen, schrijft hij vanmorgen in een brief aan de Tweede Kamer. Een harde gulden, gecombineerd met een wat lagere rente - Kok lijkt te hopen op het beste van twee werelden. De monetaire unie tussen de DDR en de Bondsrepubliek zou daarmee voor de gulden een verrassende Wende in petto hebben.

In Nederlandse bankkringen verwacht men ook dat de rente in Nederland iets zal kunnen zakken. Als de Duitse mark, het stabiliteitsanker van het Europese monetaire stelsel, door de invoering van de D-mark in de DDR iets verzwakt, biedt dat de mogelijkheid om het renteverschil tussen Nederland en West-Duitsland - de Nederlandse rente ligt traditioneel iets boven die in de Bondsrepubliek - te verminderen.

'Je kunt je voorstellen dat De Nederlandsche Bank bij een volgende renteverhoging van de Bundesbank niet meedoet. Dat moet natuurlijk wel in Europees verband gedragen worden. De Franse franc en de gulden kunnen een kleiner renteverschil met de D-mark nu wel hebben', meent een economische onderzoeker bij de NMB-Postbank. Ook de economische onderzoeksgroep van de Rabobank verwacht dat de renteverschillen tussen de Westeuropese munten kunnen afnemen. De verzwakking van de D-mark is volgens deze deskundigen een gevolg van de inflatie die de monetaire Anschluss in de Bondsrepubliek zal veroorzaken. Deze inflatie wordt niet aangewakkerd door de veel te grote geldhoeveelheid in de DDR, maar door de sociale uitkeringen die voortaan in harde D-marken zullen plaatsvinden.

De sluiting van onrendabele Oostduitse bedrijven zal op korte termijn leiden tot anderhalf miljoen werklozen, menen sommigen. Die werklozen moeten uitkeringen krijgen in D-marken - anders zouden ze direct naar West- Duitsland trekken. Ook de pensioenen zullen in harde munt uitbetaald moeten worden. De kosten hiervan bedragen naar schatting 60 miljard D-mark per jaar en 30 miljard D-mark voor 1990 - aannemende dat de monetaire unie halverwege dit jaar een feit is. De uitkeringingstrekkers zullen dit geld onmiddellijk uitgeven, waardoor sprake is van een inflatie-impuls van 30 miljard D-mark in 1990. De Duitse inflatie zal hierdoor een procentpunt hoger uitkomen op 4,5 procent.

De bestedingsimpuls uit de DDR zal ook leiden tot extra vraag naar goederen. Maar aangezien de Westduitse economie al tegen zijn capaciteitsgrenzen produceert, zal een deel van deze extra vraag wegvloeien naar het buitenland. Nederlandse exporteurs opgelet: van de Oosterburen is dit jaar een overloop van een extra vraag naar goederen en diensten van zo'n 10 miljard D-mark te verwachten. 'Het grootste probleem bij de komende monetaire unie is de koopkrachtimpuls die zal uitgaan van de sociale uitkeringen', meent de bankonderzoeker. 'De zogenoemde monetaire overhang, de enorme hoeveelheid Ostmarken die niet in verhouding staat tot de omvang van de Oostduitse economie, is een minder groot probleem.'

De DDR-burgers beschikken over spaartegoeden ter waarde van 175 miljard Ostmark. Verder circuleert in de DDR ongeveer 25 miljard Ostmark aan geld. Bij de vervanging van de Ostmark door de D-mark moet dit geld zoveel mogelijk vastgehouden worden. Dat kan door de Oostduitsers voor de keuze te stellen om hun besparingen tegen een gunstige koers om te wisselen in langlopende besparingen, of tegen een ongunstige koers in te wisselen tegen contante D-marken. De onderzoeker: 'Voor de Oostduitsers maakt het niet veel uit als hun spaargeld in langlopende obligaties wordt vastgezet. Ze kunnen dat geld nu ook al niet uitgeven, omdat er geen consumptiegoederen voor beschikbaar zijn in de DDR.'

Ondertussen zijn miljarden D- marken nodig om de Oostduits economie uit het communistische moeras te trekken. In de Bondsrepubliek circuleren schattingen van 500 miljard tot een biljoen D-mark die de komende vijf jaar nodig zijn om de Oostduitse industrie te moderniseren, de infrastuctuur van deze tijd te maken en om de grootste milieuvervuiling terug te dringen.

Het gevolg van deze vraag naar Duitse marken ten behoeve van investeringen in de DDR is dat de rente in de Bondsrepubliek omhoog gaat om kapitaal aan te trekken. De bankdeskundige zegt: 'De rente in de Bondsrepubliek zal stijgen om kapitaal weg te zuigen naar Oost-Duitsland. De DDR is een nieuwe stofzuiger met super-zuigkracht, die overal kapitaal zal wegzuigen. Ook uit Nederland.' Geld in Nederland zal daardoor duurder worden, waardoor de investeringen in ons land onder druk kunnen komen te staan. In ESB, het vakblad voor economen, legt de gelegenheidscombinatie van de professoren A. Heertje en F. van der Ploeg deze week uit dat de voortdurende verhoging van de Duitse rente het doel heeft om de de Westduitse investeringen naar Oost-Duitsland te kunnen kanaliseren en om concurrenten uit andere Europese landen op een achterstand te zetten. Zolang de D-mark de spil is van het Europese monetaire stelsel, dwingt een hoge Duitse rente de overige deelnemers aan het EMS ook tot renteverhoging. Daardoor is minder geld beschikbaar voor investeringen, niet alleen in eigen land, maar ook in Oost-Europa.

Ondertussen rukken de Westduitse bedrijven in hun Oosteuropese achtertuin op. 'De overwaardering van de eigen (-Duitse-) wisselkoers wordt gehanteerd met het oog op het uitoefenen van politieke, en in het verlengde daarvan, economische macht', aldus de twee hoogleraren.

    • Roel Janssen