Burnham en Den Doolaard

Het programma van Adriaan van Dis wordt een paar dagen van tevoren opgenomen, niet omdat men bij de VPRO bang is dat de gastheer in een live-programma voor de ogen van het volk van het slappe koord zou vallen maar omdat er altijd een buitenlandse bezoeker is die moet worden ondertiteld. De heer Van Dis heeft dit vorige week in het gidsje nog eens uitgelegd. Het geeft de redactie bovendien de gelegenheid, minder onderhoudende passages uit het gesprek te verwijderen. Dat is tot ieders voordeel, bijna altijd, maar deze keer niet zoals ik weet omdat ik erbij zat. Een belangwekkend thema van de politiek-literaire gedachtenwisseling zou op het ogenblik, na het einde van de Koude Oorlog 'het gelijk van rechts' kunnen zijn, ware het niet dat rechts daarbij zoveel ketelmuziek maakt dat het wisselen der gedachten er onmogelijk door wordt.

Het was een goed idee A. den Doolaard te vragen wat hij van dat 'gelijk van rechts' vond. Hij heeft recht van spreken omdat hij na Kroonstad nooit meer het slachtoffer van een heilsleer is geworden en dat ook in zijn geschriften heeft bewezen. Om het bazuinenkabaal van rechts moest hij een beetje lachen. Rechts, zei hij ongeveer, is per slot van rekening altijd door links gered, waarbij hij om te beginnen verwees naar het kinderwetje van Van Houten en de dappere hoewel wat naieve Troelstra die als gevolg van deze laatste eigenschap praktisch door rechts verpletterd is. De bijdrage van Den Doolaard aan het nationale intellectuelendebat - als we het zo kunnen noemen - bestond uit een onmisbare nuancering. Jammer genoeg is het niet in de uitzending opgenomen, maar, denk je: misschien was er anders iets uitgesneden dat nog meer de moeite waard was. Ik geef toe: het is moeilijk het juiste gezicht te trekken als later blijkt dat je 'in een vroeg stadium' al gelijk hebt gehad. Denk aan iemand die zojuist een kind onder het ijs vandaan heeft gehaald en dan zegt: 'Hm, ik deed slechts m'n plicht.' Maar alles is beter dan die ketelmuziek. Hoe kom ik nu op James Burnham? Omdat die in een bijzonder vroeg stadium al het gelijk had dat hij nu in de ruimste mate krijgt. Het is te hopen dat hij nog leeft; dan is hij 85, vier jaar jonger dan Den Doolaard. Hier is Burnham vooral bekend geworden door zijn The Managerial Revolution waarin hij beredeneert dat de managers in de industriele samenleving de klasse zullen gaan vormen die het voor het zeggen krijgt.

Dat boek heeft hij geschreven in 1941; bewonderenswaardig vroeg. Zo heeft hij er nog een geschreven. Het heet The Coming De feat of Communism, en het is verschenen in 1950, dat wil zeggen toen het er met het Westen niet goed voorstond. Stalin was met succes bezig, zijn Europese bezit te consolideren, China was communistisch geworden, de Koreaanse oorlog was uitgebroken, de NATO was een jaar oud de Bondsrepubliek bestond nog niet en in Italie en Frankrijk floreerden grote communistische partijen die deden wat Moskou wilde. Het is geen wonder dat Burnham, behalve socioloog een ex- trotskist en daardoor geen ongeoefend politiek denker, een crisis ziet die kan eindigen in een catastrofe. Hij is een erudiet man, hij schrijft een flinke, concrete stijl en hij heeft het besliste oordeel waaraan het te danken dat dit boek nog leesbaar is. In zijn inleiding definieert hij het catastrophic point of view - de overtuiging, expliciet aanwezig in de courante filosofie en impliciet in de kunst, dat het met de democratische westerse beschaving praktisch gedaan is. Dat is een compact tijdsbeeld. We bevinden ons, schrijft hij, in een extreme situatie die bijgevolg om een extreme oplossing vraagt. Het tweede deel van het boek bevat de analyse van de twee aanstaande partijen in de Koude Oorlog, het derde deel het plan voor de strijd en in het vierde wordt het vraagstuk van de organisatie en de middelen behandeld. Het geheel heeft een Clausewitz-achtige ambitie. Het lijkt me daarbij geen bezwaar dat het weleens sterk gedateerd is. Het wordt gecompenseerd door een knappe analyse van 'de kwetsbaarheid van het Sovjetrijk' zoals die nu wordt bewezen. Maar het gaat me hier vooral om het laatste hoofdstuk: de onvermijdelijkheid van de communistische nederlaag en daarin de volstrekte afwezigheid van dat minderwaardigheidsgevoel dat zoveel schrijvers, commentators, intellectuelen heeft gehinderd toen het nog goed leek te gaan met het communisme; die houding op de grens van kruipen die toen ook bij rechts ruimschoots voorhanden was en nu helemaal vergeten. Meer zelfonderzoek! Dringend geboden.

    • H. J. A. Hofland