Kosto bepleit verruiming van preventiebeleid

DEN HAAG, 15 febr. - Volgens staatssecretaris Kosto (justitie) moet er een Centraal Politie Instituut komen voor de criminaliteitspreventie dat vergelijkbaar is met de Centrale Recherche Informatiedienst (CRI). Kosto bepleitte dat gistermiddag bij het tienjarig bestaan van het bureau van de landelijke coordinator voorkoming misdrijven.

Dit samenwerkingsverband van Binnenlandse Zaken en Justitie zou volgens Kosto uitgebouwd moeten worden tot een 'landelijk en regionaal georganiseerde instelling' die voor de regionale politiekorpsen eenzelfde rol vervult als de CRI. Deze instelling heeft specifieke technische deskundigheid in huis en fungeert als databank voor de plaatselijke recherche. Kosto zei zich voor te stellen dat preventiebeleid zich in de toekomst ook zal richten op zwaardere vormen van criminaliteit: roofovervallen, drugscriminaliteit, seksuele misdrijven, bank- en verzekeringsfraude en corruptie. Nu blijft criminaliteitspreventie meestal beperkt tot veel voorkomende criminaliteit: diefstallen en vandalisme.

Dr. J. Horn, landelijk coordinator voorkoming misdrijven, noemde preventiebeleid een 'essentieel deel' van de politietaak. Volgens hem is de dominante cultuur binnen de politie lang gekenmerkt door 'boeven vangen'.

De strategieen die de politie in de jaren zestig en zeventig gebruikte om de criminaliteit te bestrijden hebben echter gefaald, meent hij. De nadruk is jaren lang gelegd op snelle gemotoriseerde surveillance, snelle reactie op verzoeken uit het publiek en op onderzoek nadat het delict is gepleegd. De politie trok zich terug uit de wijken, sloot zich op in auto's en maakte van het 'afhollen op een incident' de hoofdtaak. Een 'quasi militaire, gedisciplineerde, technisch goed uitgeruste groep misdaadbestrijders'.

Daarbij maakte de politie zich steeds afhankelijker van de meldingen uit het publiek. Criminaliteit waarvan zelden aangifte wordt gedaan zoals fraude, drugs of incest onttrok zich geheel aan het oog van de politie. Dat heeft er volgens Horn toe geleid dat de politie 'zeker bij de aanpak van de veel voorkomende criminaliteit als het ware achter de feiten aanloopt'. Volgens Horn waren de resultaten dan ook weinig indrukwekkend. De criminaliteit vertienvoudigde zich sinds 1960. Tussen 1980 en 1988 steeg het aantal geregistreerde delicten tot jaarlijks boven een miljoen. Uit slachtofferenquetes valt op te maken dat dit maar 35 procent van de werkelijk gepleegde misdrijven is. Jaarlijks worden er dus ruim zes miljoen misdrijven gepleegd. Het feitelijke ophelderingspercentage schatte Horn op minder dan vijf procent. Nederland is volgens hem 'een van de meest onveilige landen in West-Europa' geworden.