HUGO CLAUS BEWERKT ZIJN 'OMTRENT DEEDEE' TOT EEN IJSELIJK ANTI-MELODRAMA; Koudvuur en hartstocht

Het sacrament. Regie: Hugo Claus. Met: Carl Ridders, Frank Aendenboom, Ann Petersen, Jan Decleir. In 9 theaters.'M ea culpa, mea culpa, mea maxima culpa'. Het lijkt of er licht straalt uit de hostie die de pastoor met hooggeheven handen ophoudt. Binnen de muren van de kerk durft hij alle schuld wel op zich te nemen. Niet alleen doet het daar geen pijn, het staat nog mooi ook. Zo meeslepend theatraal, daar voor het altaar. Buiten is het een andere zaak. Daar treft een pastoor nooit schuld. Hij vergist zich niet, hij neemt alleen wijze besluiten, hij is onfeilbaar. Een pastoor kan zelfs niet snurken, leren we van huishoudster Natalie, nee, 'meneer pastoor zijn neus is verstopt'. Het sacrament, de nieuwe speelfilm van Hugo Claus, draait om een schuld die Deedee, dorpspastoor op het Vlaamse platteland van de jaren vijftig, niet uit de weg had mogen gaan. Schuld bekennen hangt samen met verantwoordelijkheidsbesef en besef van verantwoordelijkheid is in Claus' ogen het enige wat een priester zijn schapen te bieden heeft. Deedee, de ijdele Deedee met zijn rode haar, schiet te kort en er vallen slachtoffers. Niet onder de mensen die in de ogen van de katholieke kerk als zondaars worden beschouwd, die zijn net als Deedee onkwetsbaar. De pastoor doet met zijn falen juist de schuldelozen kwaad. Ze hebben geen verweer. Een betaalt met zijn leven, hij bungelt aan een touw op zijn zolderkamer. Een ander blijft ademen maar zij verliest de inhoud van haar bestaan. Hoeveel ze bidt bij de wansmakelijke replica van Lourdes' heilige Bernadette, troost zal ze niet vinden. En de pastoor? Die staat onder de douche en wast het rode haar dat in de middeleeuwen een teken van de duivel was.

Niet over de pastoor maar over zijn slachtoffers gaat Het sacrament. Ze horen bij de kinderen Heylen die jaarlijks hun moeders sterfdag herdenken met een uitgebreide maaltijd in de pastorie in hun geboortedorp. Zus Natalie is er de toegewijde huishoudster van de pastoor die zij allen inmiddels bij zijn voornaam mogen noemen. Uit de sfeer waarin we ze van hun huizen op weg zien gaan, proeven we hun achtergronden en hun geschiedenissen. Broer Antoine rijdt met zijn vrouw en zijn vriendin in zijn auto door de regen: een grote mond tegen twee giechelende spotvogels. Het grotestadshuis van zus Jeanne, een stuk jonger en de nakomer van het gezin, staat in de zon als zij haar knorrige echtgenoot in het zijspan van haar motorfiets laadt. Bij broer Albert is het buiten en binnen druilerig. Zijn vrouw is een geestelijk wrak, die mag niet mee. Ze waarschuwt haar man, ooit om zijn gevoelige natuur de lieveling van zijn moeder, voor zijn familie, ze herhaalt die waarschuwing tegen hun zoon Claude die die onmannelijke gevoeligheid zo te zien nog niet opgaf. Vader en zoon slaan de deur achter zich dicht en zetten zich schrap tegen het schrale weer.

Het zijn heel gewone mensen, de Heylens, met doorsnee ondeugden, al liggen die onder het vergrootglas van het bekrompen jaren vijftig-fatsoen. Ze zijn angstig, egocentrisch, benepen. Een Brusselaar is al een onbetrouwbare vreemde voor ze. Ze doen onaardig en oneerlijk, niet omdat dat in hun karakter ligt maar uit voorzorg, om zelf niet in de verdrukking te komen. De mannen hangen blaffend de baas uit in het verzwegen bewustzijn dat ze uiteindelijk de slaven zijn van hun gewiekste vrouwen.

Om de beurt arriveren ze in hun bleekverlichte dorp. Ze scharen zich om de tafel van de pastoor, waar de welgedane Natalie het gezellig probeert te maken. Er ontspinnen zich meesterlijk ijselijke dialogen en oud zeer wordt, niet in de laatste plaats door toedoen van de minzame pastoor, opgerakeld en aangestookt. De ongemakkelijke sfeer wil niet wijken, ook niet op de wandeling na de gezamenlijke kerkgang, zelfs niet wanneer er gegeten wordt en de wijn vloeit. Dat komt doordat neef Claude soms ineens zo raar doet, zo onbeheerst, zo schichtig. Maar het komt veel meer doordat Hugo Claus zijn personages neerzet in onwarm licht en nu en dan op hun eenzaamheid wijst binnen de kaders van wijde, weinig toeschietelijke lenzen.

De avond valt, er wordt sterke drank uitgeschonken en het samenzijn begint uit de hand te lopen. Plotseling blaakt het licht van broeierig geel. De grammofoon speelt vrolijke deuntjes, de tafel gaat opzij, iedereen hopst in de rondte. Claude omarmt zichzelf in een walsje totdat hij de pastoor heeft overgehaald voor een dansje. Het licht mag warm geworden zijn, de stemming uitgelaten en allengs ondeugender, Claus faalt niet de dreiging te handhaven. Zonder woorden, puur door camerabeweging en spelregie bevestigt hij wat we eerder vermoedden: deze mannen delen een geheim. Deedee is er doodsbenauwd voor en Claude tart het. Deedee vernedert Claude, Claude antwoordt met een prachtige vitale solo-dans op de tafel. Het gezelschapsspel dat Deedee bedenkt, grijpt Claude aan om zijn sensualiteit uit te dragen als iets waardigs. Telkens beantwoordt de pastoor Claudes hartstocht met koudvuur, en het wordt duidelijk dat zijn schuld veel verder reikt dan het niet willen beantwoorden van Claudes aanhankelijkheid. Tenslotte verdedigt de pastoor de mythen van zijn aseksualiteit en van zijn onfeilbaarheid met een rake trap op Claudes enige zwakke plek. Wie Claus' films en romans kent, weet allang waar die ligt: in zijn familie.

Hugo Claus baseerde het scenario voor Het sacrament op zijn roman Omtrent Deedee. Boek en film delen de vaardigheid van Claus om afgezien van de hoofdpersonen alle andere personages de ruimte te gunnen om tot hun recht te komen en vertellen hetzelfde verhaal. Verder staan ze door hun aanpak ieder zo sterk op zichzelf dat vergelijking slechts opmerkingen over details oplevert.

Het sacrament maakt van het verhaal een soort anti-melodrama. Alle elementen voor een melodrama zijn aanwezig, maar de tranen die dat impliceert bevriezen op je wangen. Claus vat het melodrama in de kraag om het op zijn kant te smijten. Hij wil kilte en kilte verovert hij, ook op de komieke momenten en in de scenes die compassie vragen voor bepaalde personages. Geen zich vermeien in de smakelijke, extraverte kenmerken. Hij zet het genre te kijk als een bittere satire op zichzelf en ontmaskert het als precies toegesneden op de morele wurggreep waarin de Vlaamse kleinburgerij uit de jaren vijftig zich liet verstikken.

Dit familiedrama had ook aanleiding kunnen zijn voor een typische acteursfilm, met ruimte voor alle registers die acteurs zo graag opentrekken. Maar Claus houdt ze kort. Hij laat ze hun personages op afstand houden en die benauwenis dwingt ze hun rollen klein te vervullen en tegelijk op de toppen van hun kunnen. Vooral Ann Petersen als meneer pastoors moeder-maagd Natalie - kuis verknocht en voorbestemd voor het ongeluk - verricht wat dat betreft een wonder. Nooit geeft ze zich over aan behaagzucht, steeds houdt ze stil als haar personage dichtbij komt, en toch zijn we allemaal met haar Natalie begaan.

De enige uitzondering geldt Claude, uitnemend gespeeld door Carl Ridders. Ridders krijgt van Claus de ruimte om Claudes eenzaamheid uit te janken, Claude mag het nerveuze, uitdagende, in zijn lijden stralende middelpunt zijn. De manier waarop Hugo Claus Claude Heylen heeft benaderd, maakt van Het Sacrament een superieure film.

JOYCE ROODNAT