Minimabeleid werkt voor 'onderklasse' averechts

ROTTERDAM, 14 febr. - Niemand weet hoeveel geld er precies omgaat in het gemeentelijke minimabeleid. Vast staat dat het een snel groeiende post op gemeentebegrotingen is. Amsterdam steekt er dit jaar 17,5 miljoen gulden in, Arnhem 3,8 miljoen en Hengelo een half miljoen. 'De Algemene Bijstandswet is een voldoende vangnet voor een a twee jaar, maar voor een langere periode is het duidelijk onvoldoende', concludeert onderzoeker drs. J. J. van Dijk van het Christelijk Nationaal Vakverbond (CNV). Hij schat, op basis van een enquete onder 300 gemeenten, dat met de lokale aanvullingen op de Bijstandswet ongeveer 100 miljoen gulden is gemoeid. Daarnaast wordt circa 220 miljoen gulden aan bijzondere bijstand uitgegeven, waarvan tien procent voor rekening van de gemeenten komt. De grote verschillen die er tussen gemeenten bestaan in het gevoerde minimabeleid blijken volgens Van Dijk niet te herleiden tot de politieke samenstelling van colleges van burgemeester en wethouders, inwonertal of regio.

Sommige gemeenten doen voor de financiering van hun minimabeleid een beroep op particuliere fondsen, een bron die kort voor zijn aftreden ook werd herontdekt door oud-staatssecretaris De Graaf (sociale zaken). 'Jarenlang was het in Den Haag volstrekt taboe om over armoede in Nederland te spreken. Maar vorig jaar gaf De Graaf opeens toe dat er in individuele gevallen armoede zou kunnen bestaan. Bij de bestrijding daarvan moesten de gemeenten maar samenwerken met de charitas en de kerken. Dat werd plotseling weer bespreekbaar', zegt drs. G. Oude Engberink van de Rotterdamse sociale dienst.

Armoede-industrie

Wat hebben de honderden miljoenen tot dusver opgeleverd? 'Veel minimabeleid is vertaald in ambtenaren en hulpverleners. Rondom de minima is een hele armoede-industrie ontstaan met een wildgroei van projecten', zegt de Leidse socioloog dr. G. B. M. Engbersen, die vorige maand promoveerde op een studie over het ontstaan van een 'onderklasse' in Nederland. Hij heeft grote bedenkingen bij het scala aan noodfondsen dat gemeenten hebben gevormd. 'Zulke fondsen belonen niet de mensen die erin slagen van een minimumuitkering rond te kunnen komen. Ze werken rechtsongelijkheid in de hand.' Engbersen wil 'de positieve kanten' niet bagatelliseren, maar het gemeentelijke minimabeleid lijdt volgens hem aan dezelfde kwaal als het hele Nederlandse stelsel van sociale zekerheid: 'De structuur en de uitvoering ervan dragen bij tot het ontstaan van een nietsdoende klasse. Niet van rijken, maar van armen'. De structuur - gekenmerkt door een betrekkelijk klein verschil tussen minimumloon en uitkering, waarop eventuele bijverdiensten in mindering worden gebracht - bevordert volgens hem 'het calculerende denken' door werklozen en leidt bovendien tot omvangrijke bureaucratie bij de sociale diensten. Beide tendensen bemoeilijken verandering.

Het is tragiek van de verzorgingsstaat, zegt de Leidse socioloog, dat het sociale beleid veel kansarmen niet bereikt. Of sterker nog, voor hen in feite averechts uitwerkt omdat hun dagelijkse leven steeds verder wordt gekoloniseerd door sociale diensten. 'Het mechanisme is simpel. Er zijn te weinig arbeids- of scholingsplaatsen en er is te weinig geld om de financiele problemen van deze minima zonder marge op te lossen. Dus moet er worden geselecteerd.'

Het laat zich, aldus Engbersen, gemakkelijk raden welke kandidaten voor schuldsanering of het opdoen van werkervaring worden uitgekozen, want hun professionele begeleiders zitten niet op een mislukking te wachten. 'Het resultaat is dat er een afroming plaatsheeft, waarbij degenen die ouder zijn, langdurig werkloos zijn, veel schulden hebben of slecht Nederlands spreken opnieuw worden overgeslagen. Te slecht voor 'upgrading', waardoor hun afhankelijkheid van de Staat verder toeneemt.'

Een kwart van de 800.000 huishoudens (ongeveer 1,2 miljoen mensen) die op het sociale minimum zitten moet volgens Engbersen inmiddels worden gerekend tot deze onderklasse, die in permanente staatsafhankelijkheid en nagenoeg volledige uitzichtloosheid verkeert.

Maatwerk

Hoe moet het nu verder met het minimabeleid? Oude Engberink en Engbersen juichen de herwaardering van 'het medicijn arbeid' toe. Lang is verwaarloosd dat de bijstandsgerechtigden behalve potentiele consumenten en kiezers potentiele arbeiders zijn. 'Er was wel inkomensbeleid, maar geen werkgelegenheidsbeleid', zegt Engbersen. Daar komt nu meer aandacht voor en dat kan soelaas bieden voor de mensen die 'op de glijbaan richting onderklasse' zitten.

Daarnaast moet er, onderstreept Oude Engberink, meer armslag komen voor de gemeenten. 'De lokale overheid zit het dichtst op de probleemgevallen en de probleembuurten. Zij beschikt over de benodigde informatie of kan daar gemakkelijk toegang toe krijgen. Wat ontbreekt zijn voldoende middelen voor het maatwerk dat vereist is voor een effectieve aanpak.'

De voorgestelde wijziging van de Algemene Bijstandswet, waarbij de invulling en uitvoering van de bijzondere bijstand volledig wordt overgeheveld naar de gemeenten, komt hieraan volgens hem maar ten dele tegemoet.

Ten slotte vindt de Rotterdamse minimadeskundige dat gemeenten de doelmatigheid van hun beleid drastisch kunnen opvoeren door ervoor te zorgen dat meer mensen gebruik maken van de subsidie- en kwijtscheldingsregelingen die voor hen zijn bedoeld. Uit verschillende onderzoeken (Tilburgse Sociale Dienst, CNV, Konsumenten Kontakt) blijkt dat het aantal 'rechthebbenden' dat niet gebruik maakt van deze regelingen afhankelijk van de regeling oploopt tot zestig procent.

Ze blijken te verdwalen in het soms ondoordringbare doolhof van sociale voorzieningen, het slachtoffer te worden van gebrekkig functionerende uitvoeringsinstanties of stigmatisering te vrezen. Oude Engberink: 'Het is een eis van sociale vernieuwing dat we hen met een geintegreerd en publieksgericht minimabeleid proberen te bereiken'.

Zijn voorkeur gaat uit naar een systeem van 'one-stop shopping': alle diensten, van bijstand tot huursubsidie en van belasting tot schuldsanering, achter een en hetzelfde loket.

Dat dit streven naar grotere doelmatigheid gepaard gaat met de luider wordende roep om een straffere aanpak van uitkeringsgerechtigden en een strengere controle op het gebruik van sociale voorzieningen, baart Oude Engberink en Engbersen zorgen. Zij delen de mening van dr. A. de Swaan die in 'Zorg en de Staat' (1989) schrijft: 'Een verzorgingsstaat die werkt met volkomen efficientie, werkt alleen volkomen efficient als politiestaat. Dat, meer dan al het andere, is het toekomstige dilemma van sociaal beleid'.

(Dit is het laatste vantwee artikelen over gemeentelijk minimabeleid. Het eerste stond in de krant van dinsdag).

    • Joop Meijnen