'Kwart Noordzee afsluiten voor de visserij'; Schadeboomkor-visserij ter discussie

IJMUIDEN, 14 febr. - Het hoofd van de afdeling beleidsgericht wetenschappelijk onderzoek van het Nederlands Instituut voor het Onderzoek der Zee (NIOZ), dr. H. Lindeboom, is van mening dat een kwart van de Noordzee moet worden afgesloten voor de visserij. Met het naar buiten brengen van die mening doorkruist Lindeboom het beleid van de directeuren van zijn eigen instituut, het Rijksinstituut voor Visserij Onderzoek (RIVO) en de Directie Noordzee van het ministerie voor verkeer en waterstaat.

Die organisaties hebben vorig jaar vooronderzoek gedaan naar het ecologisch effect op de Noordzee van boomkor-visserij. Bij deze methode, die wordt gebruikt bij het vangen van platvis (bijvoorbeeld tong en schol), wordt de zeebodem flink omgewoeld. Volgens Lindeboom zijn de gevolgen veel groter dan ooit werd gedacht. Zeeegels en schelpdieren overleven deze methoden niet. Bovendien komen in de 'bijvangst' onbedoeld haaien en roggen terecht. 'Dat zijn langzaam groeiende vissoorten die weinig eieren produceren en die op deze manier verdwijnen uit de Noordzee', aldus Lindeboom. 'Wij vinden het heel vervelend dat nu de indruk wordt gewekt dat er conclusies zouden zijn getrokken', zegt directeur mr. B. B. van der Meer van het Rijksinstituut voor Visserij Onderzoek. 'Het legt een zware hypotheek op de samenwerking in de toekomst met het NIOZ. De andere partners delen mijn conclusie volledig.'

Volgens Van der Meer was het enige resultaat van het vooronderzoek de conclusie dat de waarnemingen moeten worden voortgezet. 'Als je het vijf of tien jaar voortzet, kom je er uiteindelijk achter wat het effect is', zegt hij. 'De effecten op zich hebben we nog niet vastgesteld.' Vorige week kwamen de directeuren van de genoemde diensten evaluerend tot deze conclusie. Een aanleiding om hierover iets naar buiten te brengen, zag men volgens Van der Meer niet.

Afgezwakt 'Ze weten eigenlijk wel dat het niet goed gaat', zegt Lindeboom. Volgens hem is het RIVO vijftien jaar geleden op een 'soortgelijk verhaal' uitgekomen als wat hij nu naar buiten brengt, 'maar dat heeft men toen afgezwakt'. Bovendien werken er ook bij het RIVO mensen die in de vakpers al hebben gepubliceerd over de effecten waarover nu plotseling moet worden gezwegen. En de conclusies die hijzelf nu heeft getrokken, worden wel degelijk gestaafd door het voorlopige rapport waarover de directeuren niets naar buiten wilden brengen. Lindeboom voelt zich trouwens wel degelijk gedekt door zijn eigen instituut. 'In die zin dat ze de gedachte een deel van de Noordzee af te sluiten voor visserij een goed idee vinden. Dat er over de exacte inhoud nog veel moet worden gepraat met deskundigen en belanghebbenden, spreekt vanzelf.' RIVO-directeur Van der Meer noemt de gedachte om een 'gebied te sluiten voor visserij op een bepaald soort vis' bruikbaar en niet nieuw. Hij wijst op het bestaan van een 'scholbox' en een 'kabeljauwbox', beschermde gebieden waar de jonge vis kan opgroeien. 'Maar er is geen enkele reden om die gebieden op dit moment uit te breiden of te verleggen. Er bestaan ook nog ideeen om kleine gebieden, vijf bij vijf kilometer, te sluiten. Wij vinden dat het niet nodig is, want er zijn best steenachtige stukken te vinden in de Noordzee - de Borkummerstenen bijvoorbeeld - waar om technische reden niet kan worden gevist. Daar kun je zo'n onderzoek ook doen.' Volgens Van der Meer zijn na het vooronderzoek alle conclusies nog open. 'Op dit moment zijn uitingen hierover puur emotioneel. Onderzoekers die erg begaan zijn met het ecosysteem komen dan tot hele andere meningen dan mensen uit het visserijbedrijf. Ik houd mij verre van dit soort uitspraken tot het is uitgezocht.' Van der Meer noemt het voor onderzoekers een frustrerende zaak dat vanuit het bedrijfsleven vaak vragen worden gesteld waarop men de volgende dag antwoord verwacht. 'Jammer genoeg kan dat vaak niet. Als je dit soort effecten wilt meten ben je jaren aan de gang.'

'In het verleden is ook algemeen visserij-onderzoek gedaan', vervolgt Van der Meer. 'Alleen de maatregelen die naar aanleiding daarvan werden genomen waren niet zo stringent en concreet als tegenwoordig. Men dacht er iets makkelijker over, er was geen EG-visserijbeleid. Er waren wat aanbevelingen maar pas in 1983 kwamen er voorschriften. Er had natuurlijk ook eerder gekeken kunnen worden naar die verstoringseffecten op de zeebodem. Maar vijftien jaar terug was men helemaal niet zo gein teresseerd wat dat effect zou zijn.'

    • Doorredeacteur Hidde van der Ploeg