De Beyerd eert ontwerper Dick Elffers, nestor van grafisch Nederland na 1945; Op een eigen spoor, zonder dogma's

Tentoonstelling: Dick Elffers en de kunsten, t/m 11/3 in De Beyerd, Boschstraat 22, Breda. Open: di t/m vr 10-17 uur; za en zo 13-17 uur; tijdens carnaval (24 t/m 27/2) gesloten. Catalogus: fl.49,50. Bij de ingang van de tentoonstelling Dick Elffers en de kunsten hangt een schilderij in terracotta-tinten. Een figuur, weinig meer dan een penseelstreek maar toch een mens, kijkt nieuwsgierig opzij, de lens in. Dit is Dick Elffers: nooit midden in het beeld, wel beeldbepalend.

Met deze tentoonstelling, door Elffers zelf ingericht, eert De Beyerd de man die voor- en na-oorlogs grafisch Nederland met elkaar verbindt, nestor van de generatie van na 1945. 'Een ontegenzeggelijk aanwezige factor in de Nederlandse visuele cultuur, ' heet hij in het voorwoord bij de prachtig verzorgde catalogus. Terecht heten boek en catalogus Dick Elffers en de kunsten, meervoud. Hij heeft zich nooit tot een kunstvorm kunnen of willen beperken: zijn oeuvre bevat schilderijen, grafische en architectonische vormgeving, monumentale plastieken en reliefs en zelfs een eigen cryptisch alfabet ('hierogliefen van een taal die nog moet ontstaan'). In het boekje vorm + tegenvorm, dat hij in 1976 over zijn eigen werk maakte, beschrijft Elffers de ontwerper als 'een grensbewoner: hij houdt zich op in het niemandsland tussen de beroepen'.

Bakkerskarren

Het begin was bescheiden: de veertienjarige Rotterdammer kreeg een baantje bij een decorateur waar hij belettering aanbracht op bakkerskarren en kunstbeslag op lijkkisten. Na de avondschool ging hij door naar de academie, waar hij kennismaakte met de twee stromingen die kunstzinnig Nederland voor de oorlog beheersten: nut en expressie. Uitdragers van het idee dat kunst en de kunstenaar voor de maatschappij nuttig - en dus objectief - dienden te zijn, waren de grafische vormgevers en typografen Paul Schuitema en Piet Zwart bij wie de jonge Elffers midden jaren twintig als assistent werkte. Zijn docent Jac. Jongert daarentegen vond dat de kunstenaar juist zijn gevoel in zijn werk moest laten doorklinken.

Een van de redenen waarom Elffers' werk nog steeds boeit, is dat hij zich nooit tot de een of de andere leer heeft bekeerd, maar dwars tussen disciplines, scholen en stromingen een eigen spoor heeft getrokken. Zijn calvinistische opvoeding veroorzaakte bij hem een afkeer van dogma, ook in de tijd dat hij zich in de kringen van de functionalisten en het Nieuwe Bouwen ophield. Zo verweet hij de functionalist Wim Crouwel, dat je aan zijn werk niet kunt zien dat hij weleens verliefd is, of dronken. 'Ik had altijd iets anders willen doen dan wat er was. Dat is de sport: bokkig reageren.'

Misdruk

Die dubbelzinnige houding blijkt uit een van zijn beroemdste affiches, die hij maakte voor Weerbare democratie, de eerste tentoonstelling na de oorlog in het Stedelijk Museum. Een man draagt een hoed die zich ook als een helm laat lezen. Bevrijd, dat wel, maar de schrik en het verdriet staan nog levensgroot in zijn gestileerde ogen. Op zijn affiche uit 1955 voor het 5 mei Comite staan slechts nog die ogen, nog altijd vol schrik en verdriet. Ogen zijn een telkens terugkerend element geworden: wij kijken naar zijn affiches, maar die kijken ook terug. Het is meer dan toepasselijk dat bij de ingang van De Beyerd een kunstwerk in staal hangt van Willem Sandberg, directeur van het Stedelijk, Het open oog geheten. 'De oorlog heeft mijn idealisme verwoest, ' heeft Elffers gezegd. Een uitnodiging zich bij Cobra aan te sluiten sloeg hij af: 'Ik had een heel andere oorlogservaring. Daar zat ik tezeer aan vast om hun optimistische verhaal te kunnen delen.'

Ook dit jaar wordt de oorlog met een affiche van Dick Elffers herdacht.

Dat dwarsliggen uit overtuiging maakte Elffers voor zijn eigen gevoel tot een van de eerste vrije ontwerpers. 'Er is tussen 1940 en 1970 een vak ontstaan, ' zegt hij, 'waarvan ik het begin heb meegemaakt. Ik ben een van degenen geweest, die dat vak gesocialiseerd hebben. Ik heb nooit geprobeerd om een opdrachtgever tot een geloofsgenoot te maken. Dat is dan mijn individuele bijdrage aan de tolerantie, het positieve compromis: niet je kunstzinnige of esthetische principes boven de werkelijkheid stellen.' Op papier kon Elffers die werkelijkheid tot op zekere hoogte naar zijn hand zetten. Hij had het geluk met drukkers samen te werken die oog hadden - en geld - voor zijn artistieke inbreng. Zo belde drukker Simon den Hartog (later directeur van de Rietveld Academie) hem eens op en zei: 'Ik denk niet dat wat we nu drukken je bedoeling is, we stoppen en komen je halen'. Zonder een dergelijke samenwerking had Elffers niet zijn 'handwerkelijke' signatuur kunnen bereiken en behouden. Die is vooral goed te zijn in de serie affiches die hij tussen 1954 en 1967 voor het Holland Festival maakte, die dank zij de zorgvuldige druk nog springlevend zijn. 'Straatschilderijen' noemt hij zijn affiches. Het zijn schilderijen, grafiek en collages tegelijk, opgebouwd uit geschilderde letters, (fragmenten van) mensen en cello's en de rafelige randen van uitvergrote tikmachineletters en (net als Sandberg) gescheurd papier. Door de naoorlogse schaarste gedwongen experimenteerde hij met allerlei soorten papier en kreeg zijn drukkers - mokkend en wel - zelfs zo ver, dat ze met opzet misdrukken maakten. Het gebruik van fotografie vermeed hij, wellicht om zich te distantieren van zijn leermeesters Paul Schuitema en Piet Zwart en om zijn echtgenote, de fotografe Emmy Andriesse, niet in de wielen te rijden.

Tempel

Door de jaren heen heeft Dick Elffers zich steeds beziggehouden met de architectonische vormgeving van musea en tentoonstellingen. Zowel het Allard Pierson Museum als het Rijksmuseum heeft hij opnieuw ingericht. Zijn opstelling van Papoea-kunst in het Rijksmuseum maakte zoveel indruk op een Papoea-familie, dat die elke dag een uur in deze 'tempel' doorbracht. Ook Goden en Farao's in het Boymans in 1979 richtte hij in met gevoel voor hoog drama. 'Veel mensen vinden dat maar niks, die stilte enzo, die hebben een afkeer van geheimzinnigheid, ' zegt hij. 'Ik vind dat juist de essentie: vormgeven aan een geheim. In het museum wil ik meer doen dan alleen het laten uitkomen van objecten. Dat 'meer' is het geheim, dat moet je intact laten. Als je daar aan komt ben je een lul.' Elffers heeft objecten ontworpen die nog integraal deel uitmaken van het stedelijke landschap, bijvoorbeeld zijn beeldschone reclametorens bij de Rai in Amsterdam en de Jaarbeurs in Utrecht. Maar 'veranderende inzichten' hebben van zijn museale inrichtingen weinig heel gelaten en het Holland Festival heeft allang andere ontwerpers in de arm genomen. Elffers' grafisch werk is inderdaad duidelijk aan stilistische tijdperken gebonden: zijn affiches, boeken, catalogi en brochures zijn bijna tot op het jaar te dateren. Maar tijdgebonden is iets anders dan gedateerd. De vonk van originaliteit, technisch vakmanschap en puur plezier springt nog altijd over. Het is nog altijd evident dat dit het werk is van de voortrekker en niet van de epigonen die hem op de hielen zaten. De taal waarvoor hij een alfabet maakte, wordt nog nergens gesproken.