Arts hockeybond beschouwt zich als 'agressie-regulator'

LAHORE, 14 febr. - Piet Bon is teamarts van de Nederlandse hockeyselectie waarin nog drie afgestudeerde dokterenzitten. Dat ervaart de medicus uit Kudelstaart niet bepaald als storend. Hij heeft niet het idee dat de artsen onder de spelers zich op zijn werkterrein begeven of hem minder consulteren dan de andere teamleden. Ze roepen elkaar soms toe met he, collega en praten op reis weleens over het medische vak. 'Maar', zegt Bon, 'het arts-zijn is slechts een van de duizend kenmerken die we als mens hebben. Geen onbelangrijke overigens.' Bon neemt na het wereldkampioenschap in Lahore afscheid bij de hockeyers. Hij zal zich daarna als arts in de sport alleen nog concentreren op het voetbalelftal van Ajax. Bij die club volgde hij halverwege het afgelopen jaar in de Meer dokter Bosman op. Door een overlapping van de beide overeenkomsten werkte hij een aantal maanden en bij de voetballers en bij de hockeyers. Bon voelde zich zoals zovelen in Nederland aangetrokken tot Ajax en stemde toe met het voor hem volkomen onverwachte verzoek om bij de Amsterdamse club te komen werken. 'Maar', zegt hij, 'rondom elke beslissing zijn er twijfels. Ook bij deze. Nog steeds.'

Afzien

Hij heeft het naar zijn zin gehad bij de hockeyploeg die grote verschillen heeft met een team als Ajax. Bon verklaart dat zelf als 'de macht van het geld'.

Hij ziet echter ook een hele belangrijke overeenkomst. 'Het zijn allemaal mensen die willen winnen.' Een gevoel dat de teamarts kent uit de periode dat hij zelf 'op niveau' roeide. Hij was als lid van de zogeheten 'Wartena-acht' van Nereus deelnemer aan de Olympische Spelen van Mexico in 1968 waar de finale werd bereikt. Hij roeit nog steeds, bij De Hoop. 'Ik vind', zegt hij, 'het voor een arts in de sport geen vereiste dat hij daarin zelf actief is geweest. Het is wel makkelijk. Ik begrijp de bezetenheid van sporters. Het zo intensief met iets bezig zijn dat alle andere zaken minder belangrijk worden. Het afzien ook, ik weet wat de mensen dan doormaken.' Bon is nog geen anderhalf jaar in de sportgeneeskunde actief. Voor die tijd heeft hij lang gedacht dat een dokter in de sport weinig of geen werk te doen had. Bon: 'Ik was van mening dat die mensen toch allemaal kerngezond waren. Maar dat bleek niet zo te zijn. Een topsporter is juist heel kwetsbaar. Een lichte angina of kleine emotionele problemen kunnen de prestaties al beinvloeden. Ik denk bij de behandeling van sporters vaak van: 'dit is typisch huisartsen-werk, de gewone klachten'. Het zijn voetballers of hockeyers, maar toch vooral mensen.' Piet Bon zegt niet erg enthousiast te zijn over de publiciteit die de bijbaan met zich meebrengt. 'Er lopen in de sport- en in de sportmedische wereld veel mannetjes rond met geldingsdrang. Die doen vaak weinig verstandige uitspraken die bovendien dikwijls verkeerd geinterpreteerd worden. En in de topsport zij die daardoor de basis voor conflicten.' De bondsarts van de hockeyers zegt zijn bedenkingen te hebben 'tegen mensen uit de medische sportwereld die zeggen dat zij het hebben. 'Als je het goed bekijkt weten we eigenlijk zo weinig. Er zijn namelijk vele wegen die naar Rome leiden. Die gaan wel alle over de bergen, er zijn dus altijd voors en tegens.'

Kapper

Met praten en luisteren, vindt Bon, kunnen er veel problemen worden opgelost of voorkomen. 'Je moet de mensen de ruimte geven.'

Bon wijst er op dat niet voor niets juist bij tandarts, fysiotherapeut of kapper de mensen hun hart luchten. In de kappersstoel of op de behandeltafel heeft men tijd om te praten. De ander luistert. Hij moet wel. 'Dan hoor je de meest onverwachte dingen.'

Hij is voor de sporters soms dan ook meer dan een arts. Hij vindt zichzelf ook wel een 'agressie-regulator'. Hij noemt de sport een gevecht, waarin makkelijk conflicten kunnen ontstaan tussen de sporters onderling en de sporter met zichzelf. Bij Piet Bon mogen ze dan afreageren, boos of verdrietig zijn. Hij biedt altijd zijn diensten aan of stapt soms ook wel naar de hockeyer toe waarvan hij denkt dat die hulp kan gebruiken. Bon heeft meestal 'een stil kamertje' beschikbaar waar onder vier ogen kan worden gesproken. Bij Ajax heeft die ruimte zelfs een mooi rood lamp-je boven de deur.

In Lahore is het behelpen. Er is in het hotel geen praatkamertje beschikbaar, maar in geval van nood vraagt Bon of zijn kamergenoot even wil weggaan. De arts is tijdens het WK een belangrijker lid van de Nederlandse delegatie dan ooit. Een toernooi in Pakistan vereist speciale regels op het gebied van eten, drinken en hygiene. Bon zorgde voor de juiste inentingen en instrueerde de spelers over zaken die ze wel en zeker niet moeten doen. Hij heeft een grote koffer op de vijfde etage van het hotel staan die gevuld is met pillen, zalfen, en spuiten. 'Soms', zegt Bon in Lahore, 'heb ik even niets te doen en daar heb ik het dan best moeilijk mee.'

    • Hans Klippus