Wageningse stuurhut

Het is een groot complex, dat Maritime Research Institute Netherlands (MARIN) in Wageningen. Een stuk of zes sleeptanks, een modelmakerij, vele computerruimten. Ook is er ergens een deur die toegang geeft tot een halfduistere, smalle gang. De wanden zijn betimmerd met hout en op een meter hoogte hangt een dik touw, als een soort railing.

We klimmen een steil trapje op en plotseling staan we op de brug van een groot containerschip. De loods tuurt gespannen naar buiten en geeft zijn commando's aan de roerganger en de sleepbootkapiteins. Links en rechts glijden kranen en loodsen voorbij, voor ons zien we lichten en de verre kade. Als we naar beneden kijken zien we onder ons het dek met de containers en bij de boeg twee sleepboten. We koersen op een haven aan. Maar niet heus. De brug is nagebouwd, de loods oefent alleen maar en wat we door de ruiten zien is een soort bewegend Panorama van Mesdag. Een computersimulatie. Zeven projectoren op het dak van de nagebouwde brug werpen ieder een beeld van een stukje haven op de wanden van de cirkelvormige ruimte, 240 graden in de rondte. De projectors worden bestuurd door een computer, die de commando's van de loods verwerkt en de consequenties ervan in de beelden zichtbaar maakt. Elke koerswijziging heeft een verschuiving in de beelden tot gevolg. Het is niet helemaal echt, de kranen en de hangars glijden nogal rukkerig aan ons voorbij, maar de illusie is toch sterk. Deze simulatie wordt gebruikt voor de training van loodsen. Ze kunnen eens op hun gemak proberen hoe je met een hoog containerschip de Brittanniehaven in Rotterdam moet binnenvaren en als ze daarbij de Calandbrug raken is het enige dat je hoort een zacht gevloek.

Nepbrug

Maar ook voor anderen zijn die simulaties interessant. Scheepsbouwers kunnen onderzoeken of het geplande schip van 300.000 ton zonder boegschroeven nog wel de haven van Tai Chung kan binnenlopen en de havenautoriteiten van Vlissingen kunnen nagaan hoe ze met minimale kosten hun haven toch voor 98% van de grote schepen toegankelijk kunnen houden.

Om aan die vragen en opgaven te voldoen moet er behalve de nepbrug en de projectoren natuurlijk informatie zijn over de haven waar het schip zogemaamd binnenloopt en het schip zelf.

De informatie over de havens bestaat uit een visueel gedeelte: het kranen-, loodsen- en kadelandschap en een gedeelte onder water: de bodemprofielen, vaargeulen en getijdestromen. De gegevens worden op allerlei manieren verzameld. Zeekaarten worden gebruikt, maar ook foto's en videofilms. Op het Marin hebben ze zo de hele haven van Rotterdam op een computertape staan, maar ook IJmuiden, Vlissingen, Zeebrugge en een paar havens in Taiwan, Australie en Indonesie.

De loodsen die de havens goed kennen komen in de Wageningse stuurhut vaak nog met allerlei tips om het nog realistischer te maken. Ze missen onmiddellijk een torentje of een gebouwtje dat niet op de kaart staat, maar dat ze altijd als orientatiepunt gebruiken.

Schaal 1: 40Voor de informatie over de schepen wordt een andere procedure gevolgd. Van het te onderzoeken schip (dat dan meestal alleen nog maar op tekening bestaat) wordt een model gemaakt, vaak schaal 1: 40. Met dat schaalmodel nemen de technici vele proeven in de lange sleeptanks van het instituut. De bedoeling is tot een wiskundig model van het schip te komen, een aantal wiskundige vergelijkingen die het gedrag van het schip in verschillende omstandigheden kunnen voorspellen. In het model zijn drie kenmerkende scheepsbewegingen opgenomen: twee 'translaties' en een 'rotatie'. Tot de translaties behoren de langscheepse bewegingen vooruit en achteruit ('schrikken' in scheepsjargon) en de dwarsscheepse bewegingen naar bak- en stuurboord ('verzetten'). De derde translatie, een verticale beweging van de scheepsromp ('dompen') is bij het binnenlopen van een haven niet van belang. Van de drie 'rotaties' (gieren, slingeren en stampen) wordt alleen gieren in het model opgenomen, ook een rotatie om de verticale as, draaien dus.

Van alle bewegingen wordt bij verschillende watercondities, bij verschillende snelheden en belading vastgesteld hoe de romp zich gedraagt, welke weerstand hij van het water ondervindt, wat de invloed van de schroefkracht is, enzovoort.

Na enige weken meten en analyseren is het wiskundig model gereed. Er kan nu gevaren worden. Het wiskundig model wordt in de dataset van bijvoorbeeld Rotterdam te water gelaten en de loodsen en de scheepsbouwers kunnen alvast eens onderzoeken hoe het schip zich gedraagt. De trainer, die in een apart vertrek onder de stuurhut zit kiest de condities: de windkracht, de golfslag, de stroming. Als hij er zin in heeft kan hij een flinke tegenligger laten opdoemen, storm laten opsteken of een sleepboot laten uitvallen. Soms staan de loodsen met het zweet in de handen in die Wageningse stuurhut.

    • Warna Oosterbaan