Optimisme over de ondergang

Er waart een spook door Nederland: het spook van de analfabetisering. In navolging van buitenlandse cultuurpessimisten als Allan Bloom, Neil Postman, E. D. Hirsch en de binnenkort weer naar Nederland komende George Steiner, klinken ook in ons land geregeld bezorgde geluiden over de dreigende ondergang van de literaire cultuur. Opvallend aan het Nederlandse pessimisme is echter dat het niet afkomstig is van oude conservatieven, zoals elders op de wereld, maar van betrekkelijk jonge literatuurcritici uit het progressieve kamp als Jaap Goedegebuure, criticus van de uiterst modieuze Haagse Post, en de neo-marxist Cyrille Offermans, van de met alle linkse winden meewaaiende weekbladen Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer.

Het ergste pessimisme lijkt op dit moment al weer achter de rug en nu is de tijd voor tegengeluiden aangebroken. Vrijwel tegelijkertijd zijn drie tijdschriften verschenen met artikelen die de ondergang van de beschaving relativeren: Hollands Maandblad, Literatuur en Raster. De argumenten die in deze artikelen worden aangevoerd, vertonen grote overeenkomst. Ze komen er kort gezegd op neer dat er altijd groepen mensen zijn geweest die niet geletterd waren, dat er nog nooit zoveel gelezen werd als nu en dat de verontrusting over de jeugd van tegenwoordig zo oud is als de wereld. Opmerkelijk is wel dat de profetieen van mensen als George Steiner nu ook worden weerlegd in Raster, een blad dat tot nu toe meestal garant stond voor cultuurpessimisme van het ergste soort. In het laatste nummer zijn 35 pagina's gereserveerd voor de Duitse dichter-essayist Hans Magnus Enzensberger, die al evenzeer heel genuanceerd over de toekomst van de westerse beschaving denkt. In een eerste stuk betoogt Enzensberger dat de jeugd van tegenwoordig niet minder kennis heeft dan vroeger, maar andere kennis die zeker zo nuttig is. 'Ik heb reden te vermoeden dat die kennis ... beslist functioneel is ... Het ligt niet aan (een jongere) dat ze haar aandacht eerder moet vestigen op de huurbescherming dan op de eeuwige kwijtschelding van alle tijdelijke en eeuwige straffen voor onze zonden.'

In een tweede essay, waarvan de herkomst helaas onduidelijk is, beschrijft Enzensberger de opkomst van de middelmaat als norm en de hegemonie van de middle class in het naoorlogse Duitsland. De vertaling duidt deze tendentie aan als 'sociale en culturele mediatiatie'. Enzensberger ziet deze opkomst van de middelmaat als een verandering ten goede. 'Wanneer zou het de Duitsers beter zijn vergaan? In 1830? 1870? 1915? 1930, 1945? De vraag wordt vanzelf beantwoord; tot 1960 was dit een arm en opgehitst land.'

Enzensberger vermoedt dat het pessimisme van sommige van zijn landgenoten wordt veroorzaakt door hun slechte geweten. 'Natuurlijk is het een moreel schandaal dat de Duitsers een generatie na de grootste misdaad ... in betere omstandigheden zijn dan ooit tevoren.'

Hij ziet om zich heen een weldadige afkeer van ideologisch fanatisme: 'de klassenstrijd wordt gereduceerd tot een loonronde'. En hij concludeert 'een zo grote mate van ultrastabiliteit is er in de Duitse geschiedenis nog nooit geweest. ' Het resultaat van dit alles is geen eenheidsbrij, maar een zeldzaam bont geschakeerde gemeenschap, de middelmaat wordt door een maximum aan variatie en differentiatie gekenmerkt. De opname van Enzensberger in dit nummer van Raster wil overigens niet zeggen dat de redactie van het blad ook achter zijn opvattingen staat. Curieus is bij voorbeeld dat het eerste stuk van Enzensberger meteen gevolgd wordt door een afkeurende reactie van redacteur Willem van Toorn. Van Toorn blijkt meer te zien in een eenzijdig stuk van de Amerikaanse schrijver Doctorow dat door hem is vertaald. Ook redacteur Cyrille Offermans verschilt met Enzensberger van mening. Hij heeft een lang stuk geschreven over de verloedering van het onderwijs in Nederland. Opvallend is dat hij daarin geheel voorbij gaat aan de rampzalige invloed van de socialistische onderwijshervormers uit de jaren zestig en zeventig, en alle schuld geeft aan de invloeden van de markt, ofwel aan het kapitaal. De Nederlandse schrijver Ger Verrips keert zich vervolgens ook af van de ideeen van Enzensberger. In een tamelijk ongenuanceerd stuk over Heinrich Boll en Ernst Junger geeft hij de rechtsradicale stromingen in de Bondsrepubliek en het streven naar de Duitse hereniging van kanselier Kohl er nog eens van langs.

Raster. No. 48. Uitg. De Bezige Bij. Prijs fl.24,50

Pleidooi voor behoudzucht

In Literatuur, het op de Nederlandse letterenfaculteiten verzorgde Tijdschrift over Nederlandse Letterkunde, plaatsen E. K. Grootes en Ton Anbeek enige kanttekeningen bij het cultuurpessimisme van Steiner, Goedegebuure en volgelingen. Anbeek legt vooral de nadruk op het feit dat dit soort ondergangsprofetieen al zo vaak gehoord zijn, en nooit veel waarde hebben gehad. 'Een cultuurmens is van nature zwaartillend, misschien topzwaar van alle boeken die in zijn hoofd zitten. En dus ziet hij overal de cultuur ... bedreigd. Pas als er niet meer geklaagd wordt over het cultureel verval, ja dan begin ik me echt zorgen te maken.' Grootes is minder optimistisch. Hij kan zich voor een deel in sommige sombere voorspellingen verplaatsen. Hij wijst er aan de ene kant op dat de westerse culturele traditie haar hegemonie in de wereld uitbreidt en zelf wordt verrijkt wordt met Japanse haiku en Afrikaanse verhalen. Hij ziet om zich heen meer gymnasiasten, meer letterenstudenten, meer proefschriften en andere wetenschappelijke publikaties en veel brede waardering voor historisch letterkundigen als Van Oostrom en Pleij. Maar hij ziet ook veranderingen die de kwaliteit van de cultuur van binnenuit dreigen aan te tasten: secularisering en actualisering. De secularisering dreigt op dit moment te leiden tot onbegrip voor alle schrijvers die een christelijke achtergrond hebben. Actualisering maakt daarnaast dat onderwerpen en schrijvers die uit de mode zijn nu te makkelijk vergeten worden. Grootes pleit daarom voor conservatisme in het onderwijs. Leesplezier mag volgens hem wel een afzonderlijk doel van het onderwijs zijn, zolang het maar niet in de plaats van geletterdheid komt.

Het grootste stuk in dit nummer van Literatuur gaat over de slepende affaire Stuiveling-Van Vriesland. De Belgische hoogleraar Martien J. G. de Jong heeft onlangs toegang gekregen tot de archieven van uitgeverij Wolters-Noordhoff en Garmt Stuiveling en hij hebben daarin onderzocht wat er waar is van de beschuldiging dat Stuiveling zich in de oorlog te veel aan de wensen van de Duitsers aanpaste. De Jong weet op grond van de door hem gevonden correspondentie aannemelijk te maken dat Garmt Stuiveling zeker geen nationaal-socialistische sympathieen heeft gehad en zich, net als zijn collega De Vooys, handig tegen een gezagsgetrouwe aanpassing van zijn Historische Schets heeft verzet. Anderzijds moet De Jong toegeven dat Stuiveling onder druk van de bezetter wel een gedicht van (de joodse) Victor van Vriesland uit een door hem geredigeerde bloemlezing heeft laten verwijderen. Ter vergoelijking voert De Jong aan dat deze antisemitische ingreep 'zonder twijfel een teleurstelling voor Stuiveling zal zijn geweest'. Literatuur.

Tijdschrijft over Nederlandse Letterkunde. Uitg. Hes. Utrecht. Prijs fl.11,-

De thrillers van Klondyke

Het laatste (dubbel)nummer van Het Oog in 't Zeil heeft op het omslag een portrettekening van de hand van Frits Muller waarin we met enige fantasie de jeugdige W. F. Hermans kunnen herkennen, vermomd als detective. Het nummer opent met een artikel van Janwillem van der Ent over de vier thrillers die W. F. Hermans in de eerste jaren na de oorlog heeft geschreven onder het pseudoniem Fjodor Klondyke. In een bibliografie van zijn verspreide publikaties heeft Hermans deze boekjes aangeduid als 'doornroosjes die nooit meer wakker hadden moeten worden'. Maar ondertussen is het kwaad geschied. De dichter Jan Kuijper komt de eer toe in 1974 twee van deze boekjes op het Waterlooplein te hebben gevonden, Misdaad stelt de wet en De leproos van Molokai. Hij zag direct de verwantschap met de later door Hermans gepubliceerde Drie melodrama's en publiceerde daar indertijd over. Later zijn nog twee andere boekjes van deze Klondyke ontdekt, waarvan tot op heden geen literaire halfzusters bekend zijn.

Van der Ent gaat nu uitvoeriger op de vier verhalen in en hij komt tot de conclusie dat ze duidelijk meer zijn dan curieuze doornroosjes die men maar beter kan laten slapen. Achter de schijnbaar simpele misdaadverhaaltjes, zo vindt hij, gaat een demonisch universum schuil dat verdacht veel lijkt op het werk dat Hermans onder eigen naam publiceerde. Ze hebben weliswaar clichematige intriges, schematische personages en decors van bordkarton, maar dat past juist perfect in Hermans' visie dat elke beschrijving van de werkelijkheid noodgedwongen een mythische is. Niet voor niets noemde Hermans zijn bewerking van de thrillers melodrama's. Andere bijdragen in dit Oog gaan onder meer over: Jacques Gans, de onlangs overleden Huug Kaleis, het prozadebuut van Gerard Reve, Willem de Merode en Marina Tsvetajeva. Ineke Kester interviewde W. F. Hermans over zijn roman Au pair. Over de vier thrillers van Klondyke vraagt ze helaas niets.

Het Oog in 't Zeil. jrg. 7, nummer 2-3. Prijs fl.15, -

    • Reinjan Mulder