Oost-Duitsland is aan een sterfhuisconstructie toe

De beslissing van de Westduitse regering om op korte termijn te streven naar een monetaire unie met Oost-Duitsland lijkt een onontkoombare stroomversnelling in werking te hebben gezet die niet alleen de beide Duitslanden raakt.

Oost-Duitsland heeft economisch bekeken weinig keus. Zonder monetaire unie zal de markt zijn werk doen, met zo goed als zeker veel ongunstiger resultaat. De dagelijkse uittocht uit Oost-Duitsland blijft immers groot om twee redenen: de lage lonen en het gebrek aan consumptiegoederen. Zelfs een wisselkoers van een op vier, een op vijf, kan de exodus niet stoppen. Nog altijd is er in West-Duitsland een veelvoud te verdienen en meer te kopen voor het verdiende geld. De meest voor de hand liggende oplossing van dit probleem, het sluiten van de grenzen, is politiek onmogelijk.

Oost-Duitsland heeft maar weinig mogelijkheden. Stel dat het de markt zijn werk laat doen. De gestage uittocht van vakmensen zal leiden tot druk om de lonen in de DDR te verhogen. De meeste, sterk verouderde, bedrijven kunnen geen hogere lonen betalen en gaan failliet. Gevolg: werkloosheid, ook geen situatie om de uittocht naar het Westen te stoppen. Bovendien economisch onaantrekkelijk omdat de Oostduitse mark geleidelijk steeds meer van zijn waarde zal verliezen.

Een monetaire unie zal in wezen dezelfde situatie forceren, maar heeft voor Oost-Duitsland het voordeel dat zo'n unie geen zin heeft zonder aanvullende economische maatregelen van de BRD. Eenvoudig zal het realiseren van zo'n unie niet zijn. Een volledige geldsanering, zoals na de Tweede Wereldoorlog in Nederland, is in Oost-Duitsland wegens de open grenzen niet mogelijk. Het zal erop neerkomen dat de Oostduitsers zullen moeten accepteren dat hun bezittingen in Oostmarken opeens veel minder waard worden. Maar zoiets kan alleen het doel - de uittocht stoppen - dienen wanneer er tevens perspectief wordt geboden op verbetering van de situatie.

Zo'n operatie zal daarom minstens begeleid moeten worden door de invoering van een minimumloon en, omdat hogere lonen zullen leiden tot bedrijfssluitingen, door werkloosheidsuitkeringen, beide op Westduits niveau. Wat Oost-Duitsland straks te wachten staat komt eigenlijk neer op een soort sterfhuisconstructie: het faillisement wordt bevorderd en slechts een beperkt aantal bedrijven dat nog enige kans lijkt te hebben wordt met financiele steun overeind gehouden. Voor de rest moet de DDR hopen op nieuwe investeerders.

Aangezien Oost-Duitsland zelf de extra lasten die met de monetaire sanering zijn gemoeid niet kan dragen, is West-Duitsland de eerste aangewezene om het geld hiervoor te fourneren. Deskundigen schatten dat de BRD, gerekend over een aantal jaren, al gauw op een bedrag van 30 a 40 miljard gulden moet rekenen.

Op zichzelf is een financiele injectie van deze omvang voor West-Duitsland geen probleem. Als er een economische situatie is waarin de Westduitse regering zich kan permitteren zoveel geld uit te geven is het de huidige. Het begrotingstekort is laag, de inflatie eveneens, terwijl het grote overschot op de betalingsbalans duidt op een forse hoeveelheid besparingen. West-Duitsland kan zonder grote economische risico's het begrotingstekort verhogen ten behoeve van Oost-Duitsland.

Dit zal overigens de voorgenomen monetaire eenwording van de EG niet onberoerd laten. De bedoeling is juist dat in het kader van deze eenwording een convergentie van begrotingstekorten wordt bereikt op een laag niveau. Een sterk stijgend Westduits tekort komt daarmee in strijd. Dat zou wellicht zelfs de monetaire eenwording binnen de EG kunnen vertragen.

De EG en het particuliere bedrijfsleven zullen straks naast de BRD een taak krijgen. Onvermijdelijk komt het moment dat West-Duitsland Oost-Duitsland tegenover de EG zal aanprijzen als zijn achtergebleven regio die steun nodig heeft uit de regionale fondsen. En hoewel Spanje, Portugal en Griekenland zulks niet aantrekkelijk zullen vinden zullen ze er uiteindelijk weinig tegen kunnen doen.

Inflatie dreigt

In de berichtgeving over het Westduitse streven naar een monetaire unie krijgen vooral de negatieve gevolgen voor de buitenwereld de nadruk. De beurzen vertoonden vorige week de eerste paniekreacties. De vrees voor een verzwakking van de Duitse mark is wel begrijpelijk. Oost-Duitsland heeft een fors reservoir aan besparingen die tot nu toe niet konden worden besteed. In een monetaire unie, die deze besparingen voor besteding vrij maakt, dreigt daardoor inflatie te ontstaan.

De hier en daar gesuggereerde oplossing om de Oostduitse staat spaargelden te laten absorberen door aan de burgers onroerend goed te verkopen lost dit probleem niet op wanneer die Oostduitsers dat onroerend goed weer doorverkopen aan rijkere Westduitsers. En die gelegenheid is er, nu de grenzen niet kunnen worden gesloten.

De Westduitse economie neigt al naar oververhitting. Ook de gigantische bestedingsimpuls die de Westduitse regering aan Oost-Duitsland zal moeten geven leidt tot inflatie en verzwakt de positie van de Duitse mark. Het ligt voor de hand dat de Westduitse centrale bank dan het monetaire beleid zal trachten te verkrappen via verhoging van de rente. De omvang waarin dit moet gebeuren wordt echter ook door andere factoren bepaald. Tegenover de stimulansen staan namelijk remmende ontwikkelingen. Zo zou het aanbod van Oostduitse arbeidskrachten op de thans overspannen Westduitse arbeidsmarkt de lonen in West-Duitsland omlaag kunnen drukken.

Op lange termijn zal het stimulerend beleid van West-Duitsland een flinke groei-impuls kunnen zijn. In Westduitse kring, maar ook door Nederlandse deskundigen, wordt - hoewel nog wat voorbarig - al rekening gehouden met de mogelijkheid van een tweede 'Wirtschaftswunder'. Bij het beoordelen van de gevolgen voor Nederland moet eveneens onderscheid worden gemaakt tussen de effecten op de korte en de lange termijn. In de reacties tot nu toe ligt sterk de nadruk op de korte-termijngevolgen. Die zijn negatief als inderdaad de rente in de Bondsrepubliek sterk gaat stijgen. Het staat vast dat dan de Nederlandse rente volgt, conform de beleidslijn van De Nederlandsche Bank. Ook andere EG-landen worden dan meegetrokken. Voor hen is de rentestijging de prijs voor het handhaven van een stabiele wisselkoersverhouding binnen het EMS. Een hogere rente maakt lenen duurder, ook voor de overheid. Het kabinet Lubbers-Kok kan daardoor - aangezien het regeerakkoord geen reserve voor dit soort tegenvallers bevat - problemen krijgen. Tenminste op korte termijn. Op wat langere termijn - en volgens optimistische prognoses zelfs nog aan het eind van deze kabinetsperiode - kunnen de effecten ook voor Nederland gunstig zijn.

De Westduitse stimulering brengt een enorme vraag uit Oost-Duitsland op gang, waaraan de Bondsrepubliek zelf maar beperkt zal kunnen voldoen. Die vraag gaat dus naar andere landen. Nederland met zijn grote economische verbondenheid met West-Duitsland zal daarvan ongetwijfeld kunnen profiteren, mits bedrijven bereid zijn in een vroeg stadium op de toekomstige mogelijkheden te anticiperen met investeringen. De voorwaarden daarvoor zijn aanwezig: de Nederlandse economie is gezond en ook de nieuwe CAO's tasten de concurrentiepositie niet aan.