Minimabeleid blijft steken in pleisters plakken

ROTTERDAM, 13 febr. - Gemiddeld drie keer in de week moet de gemeente Rotterdam de begrafenis regelen van iemand die bij leven vereenzaamd en vervreemd is geraakt van omgeving en familie. 'Er liggen dus mensen thuis te creperen', zegt drs. G. Oude Engberink, hoofd van de sociaal-wetenschappelijke afdeling van de Rotterdamse sociale dienst. Meestal gaat het om arme stumpers.

Rotterdam werpt zich graag op als 'laboratorium' voor nieuw sociaal beleid. De term 'sociale vernieuwing', waarover dezer dagen in Den Haag zoveel is te doen, is vorig jaar in de Maasstad gelanceerd. Twee maanden later was er in het regeerakkoord een speerpunt van gemaakt. Als belangrijk onderdeel ziet Rotterdam de vorming van 'minima-netwerken' in de wijken waarin alle 'zorgaanbieders' hun krachten bundelen.

Oude Engberink: 'Gemeenten moeten niet afwachten totdat men om hulp vraagt. Ze moeten de hulp zelf aanbieden op een zodanige manier dat de mensen niet meer kunnen verdwalen. Waarom sturen we ze voor twintig regelingen langs twintig verschillende loketten?' De beoogde 'sociale agentschappen' zullen volgens hem 'een revolutionaire kanteling in de hulpverlening' teweegbrengen. Crepeergevallen mogen dan niet meer voorkomen.

Formeel hoeft er volgens de Rotterdamse minima-deskundige voor deze aanpak niet veel te veranderen. 'We kunnen met bestaand beleid een groot gat vullen als we erin slagen de mensen hun rechten te laten realiseren. Er zijn geen nieuwe regels nodig, er is vooral behoefte aan een betere organisatie.' Niet alleen Rotterdam, ook andere gemeenten zijn er de laatste tijd achter gekomen dat het tot dusver gevoerde minimabeleid eigenlijk die naam niet verdiende. 'De gemeenten zijn veelal blijven steken in het plakken van pleisters op falend landelijk beleid', zegt bedrijfspastor ds. A. Harrewijn van het comite AmTeVe (Amsterdam tegen verarming). Minder koopkrachtSinds het verbreken van de koppeling tussen uitkeringen en minimumlonen in 1979 zijn de minima er volgens Oude Engberink gemiddeld tussen de tien en vijftien procent in koopkracht op achteruit gegaan. Volgens Harrewijn is de achteruitgang in werkelijkheid groter, omdat in de officiele 'koopkrachtplaatjes' niet alle prijswijzigingen worden meegenomen. 'Elk bezoek aan het nieuwe ziekenhuis dat aan de rand van de stad is neergezet kost een paar strippen meer.'

Wethouders van sociale zaken maakten begin jaren tachtig gewag van 'hongerbuikjes' (Almelo) en 'het eerste geval van ondervoeding' (Arnhem). Aan de loketten van hun sociale diensten verschenen steeds meer mensen die hun rekeningen niet meer konden betalen. Oude Engberink: 'We schrokken ervan dat er zoveel mensen waren met een gewone levensstijl en een normaal consumptiepatroon die structureel geld te kort kwamen. Jan Modaal kende iedereen, maar van de familie Splinter wisten we vrijwel niets'. Om in deze leemte te voorzien verrichtte de Rotterdamse sociale dienst een reeks onderzoeken naar de gevolgen van het koopkrachtverlies dat de minima kregen te incasseren. De titel van de eerste studie 'Minima zonder marge' (1984) werd een gevleugeld begrip. Citaat: 'Om te voorkomen dat nog meer huishoudens in de uitzichtloze positie geraken dat ze niet meer in staat zijn aan hun vaste verplichtingen te voldoen, dient er een eind te komen aan de daling van de koopkracht van de 'minima'.' Den Haag negeerde het alarm. Net als in 1984 werden ook in 1985 de uitkeringen verlaagd, waardoor de koopkracht verder afnam. In vervolgonderzoek werden de gevolgen geregistreerd: minima zien 'hun gebruikelijke leefwereld inkrimpen' (1987), voor oudere minima wordt het 'in toenemende mate kil, schraal en onzeker, heel anders dan de rustige levensavond die ooit werd gegarandeerd' (1988) en bij de minimumhuishoudens met een problematische schuld blijkt sprake van 'gijzeling op het sociaal minimum' (1989).'Minima in de marge' mocht dan in Den Haag weinig indruk hebben gemaakt, op lokaal niveau vond het rapport veel weerklank. 'Iedere gemeente met een beetje sociaal gezicht wierp zich op een eigen minimabeleid, bij wijze van matras onder het vangnet van de bijstandswet', zegt Oude Engberink.

Ware lappendeken

Er werd van alles bedacht: noodfondsen, steunfondsen en kwijtscheldingsregelingen voor minima, echte minima danwel meerjarige echte minima. Totdat Binnenlandse Zaken in maart 1985 per circulaire ingreep. Inkomenspolitiek is rijksbeleid en moet rijksbeleid blijven, luidde de oekaze. Categorale hulp door gemeenten was uit den boze. Alleen individuele hulp zou - binnen bepaalde grenzen - worden toegestaan.

Maar het onderscheid tussen individuele en categorale hulp is schemerig, constateerde de Vereniging van Nederlandse Gemeenten vorig jaar in een brochure. 'In dit schemergebied wordt veel gemeentelijk minimabeleid geformuleerd.'

Zo is de afgelopen jaren een ware lappendeken van lokale aanvullingen gevormd voor een 'doelgroep' die intussen is aangegroeid tot 800.000 huishoudens, bestaande uit ongeveer 1,2 miljoen mensen. Een willekeurige greep: Nijmegen heeft een bufferfonds ten behoeve van minima die onverwachts met hoge uitgaven worden geconfronteerd; Rotterdam heeft een fonds voor schuldhulpverlening dat eind vorig jaar de tienduizendste klant telde; Velsen heeft een fonds voor bevordering van deelname van minima aan het maatschappelijke verkeer; Arnhem heeft een noodfonds; Den Haag voerde zes regelingen in voor tegemoetkomingen van kosten van schoolgaande kinderen; Amsterdam introduceerde de Zomerse Vakantieknip (coupons voor gratis entree of voordeel) en de Stadspas (voor korting bij sport, cultuur en recreatie) en Hengelo, Den Helder en Eindhoven krijgen subsidie van de Europese Gemeenschap voor 'voorbeeldprojecten' gericht op doorbreking van het maatschappelijke isolement van de meest kansarme groepen onder de kostgangers van de staat.

Gevoegd bij de grote verschillen tussen gemeenten in de verlening van bijzondere bijstand (voor brillen, hoortoestellen en vergoedingen voor eten en verhuizen van bejaarden) wordt duidelijk dat minima in 'actieve' gemeenten meer te besteden hebben dan hun lotgenoten in 'passieve' gemeenten. 'Die rechtsongelijkheid betekent pure discriminatie', klaagde vorige week de Limburgse FNV-voorzitter W. Friedrichs. Dit is het eerste van twee artikelen overhet gemeentelijke minima-beleid.

    • Joop Meijnen