In de Verenigde Staten bestaat meer waardering voor hogeronderwijs dan hier; 'Een universiteit moet eruit springen'

Kan het Nederlandse hoger onderwijs iets leren van dat in de Verenigde Staten? Die vraag stelde zich ir. Van den Berg, directeur universiteiten op het ministerie van onderwijs. Zeven weken lang ging hij op studiereis. Zijn conclusie: Nederland ontbeert openheid. Universiteiten moeten ook hun zwakke kanten durven tonen. In de Verenigde Staten staan of vallen bestuurders van universiteiten met de hoeveelheid geld die zij voor hun instellingen weten binnen te halen. In de bedrijfstak die daar het hoger onderwijs is, wordt menig universiteitspresident beoordeeld op het aantal giften van particulieren en bedrijven. Schenkingen vormen een substantieel deel van de inkomsten van zowel particuliere universiteiten als staatsinstellingen. Zo vierde Stanford-University onlangs haar eeuwfeest met een miljard dollar: de opbrengst van een driejarig fondsenwervingsprogramma. Met een omzet van 124 miljard dollar per jaar komt het hoger onderwijs in de Verenigde Staten net onder het iets grotere restaurantwezen uit, maar boven de vliegtuigindustrie. Er werken ruim twee miljoen mensen, waarvan eenderde als lid van de wetenschappelijke staf. Het aantal studenten bedraagt er bijna 13 miljoen.

Ter vergelijking: in Nederland gaat in het hoger onderwijs ongeveer zes miljard gulden om, zijn er zo'n vierhonderdduizend studenten en zestigduizend personeelsleden. Wel moeten daar nog de cijfers van het middelbaar beroepsonderwijs bij worden opgeteld: in de Verenigde Staten wordt dit onderwijs bij het hoger onderwijs gerekend. Het hoger onderwijs is daar een uiterst gedifferentieerd stelsel dat loopt van de bovenbouw van het middelbaar onderwijs tot hoog gespecialiseerde opleidingen aan universiteiten van topniveau. Voor Nederland betekent dit nog eens een kleine drie miljard gulden, 350.000 studenten en ruim veertigduizend personeelsleden erbij.

Arrogant

Ondanks deze essentiele verschillen bestaan in de Verenigde Staten vooroordelen over het hoger onderwijs die vergelijkbaar zijn met die in Nederland. Volgens ir. W. L. C. H. M. van den Berg, directeur universiteiten op het ministerie van onderwijs, worden ook aan de andere kant van de oceaan universiteiten afgedaan als arrogant en duur. Van de Berg: ' Ook daar menen ze dat het personeel niet zo veel uitvoert en vaak thuis is'.

Van den Berg ging afgelopen zomer zeven weken op studiereis naar de Verenigde Staten, om na te gaan hoe het komt dat het Amerikaanse hoger onderwijs desalniettemin beter in de maatschappelijke omgeving is ingebed dan het Nederlandse.

Volgens Van den Berg is het grote verschil met Nederland dat in de Verenigde Staten een belangrijke 'tegenstroom' de invloed van die negatieve beeldvorming weet in te perken. ' Belangenbehartiging wordt in de Verenigde Staten door de universiteiten en colleges serieus aangepakt, hoewel er op dat punt grote verschillen per instelling zijn. Maar in het algemeen is het besef aanwezig dat het voortbestaan geen vanzelfsprekende zaak is. Er moet iets voor worden gedaan, publieke waardering moet je verdienen.'

Maatschappelijk draagvlak

Het besef dat voor het voortbestaan van universiteit of hogeschool moet worden geknokt en dat enige aandacht voor de maatschappelijke waardering van het hoger onderwijs geen kwaad zou kunnen, is in Nederland niet sterk ontwikkeld. Al in 1986 maakte oud-minister Deetman zich zorgen over het ontbreken van maatschappelijk draagvlak voor het hoger onderwijs. Enkele maanden geleden constateerde zijn opvolger Ritzen tijdens een gesprek met universiteiten en hogescholen dat de situatie sindsdien niet erg is verbeterd. ' We staan aan het begin van een periode waarin we zullen moeten proberen een behoorlijk maatschappelijk draagvlak voor het hoger onderwijs te verwerven. Gezamenlijk moeten we aan de verbetering van het imago werken', zo hield hij de aanwezige bestuurders voor.

Van den Berg meent dat de universiteiten in Nederland ' niet leven'.

' Niet bij de studenten, niet bij de oud-studenten en niet in de politiek. Maar zeker niet in de publieke opinie.' Bij de spraakmakende gemeente, voor een belangrijk deel toch mensen die zelf hoger onderwijs achter de rug hebben, resteert kennelijk geen al te positief gevoel voor universiteit of hogeschool. Het is tekenend dat in de jaren tachtig - toen de universiteiten bij de taakverdelingsoperaties in de vuurlinie lagen - geen protestmarsen zijn gehouden van afgestudeerden die duidelijk maakten dat ' de minister van hun universiteit moest afblijven'.

Terwijl de universiteiten zelf de ene na de andere verklaring de wereld inzonden om hun ondergang aan te kondigen, vond menig oud-alumnus het uitstekend dat er ' nu eindelijk eens werd ingegrepen'. Sindsdien is er nauwelijks iets veranderd. In het vorig jaar gesloten regeerakkoord werd niet veel aandacht aan de universiteiten en hogescholen besteed en bij peilingen voor de verkiezingen werd het hoger onderwijs (na defensie) als de belangrijkste bron voor bezuinigingen genoemd. De actie van de Vereniging van samenwerkende Nederlandse universiteiten, die vooruitlopend op het regeerakkoord de politiek om meer geld voor de universiteiten vroeg, was weinig succesvol. Voor Van den Berg was in het bijzonder het gebrek aan een goede presentatie van hogescholen en universiteiten reden om de grote oversteek te wagen.

Kartelvorming

Volgens Van den Berg staat ook in de Verenigde Staten het hoger onderwijs op veel plaatsen onder grote druk. Met name de 'research-universiteiten' (er zijn zo'n tweehonderd van deze met de Nederlandse universiteiten vergelijkbare instellingen) doen het niet goed in de publieke opinie. Bovendien heerst er ontevredenheid over de kwaliteit van het 'undergraduate-onderwijs' (te vergelijken met onze eerste fase). De situatie verschilt in de verschillende staten, maar echt goed staan de universiteiten er maar in een paar staten op. Op nationaal niveau groeit bovendien onvrede over de kartelvorming van sommige universiteiten en over de stijging van de de collegegelden. Die stegen de laatste jaren met een percentage dat ver boven de inflatiecijfers ligt.

Maar tegenover deze negatieve beeldvorming staan ook eclatante successen. De community-colleges, met hun tweejarige opleidingen de 'laagste trap' binnen het hoger onderwijs, doen het over het algemeen goed. Ze scoren met hun zorg en aandacht voor het onderwijs hoog bij de plaatselijke bestuurders en het bedrijfsleven. Meer in het algemeen blijken instellingen die veel aandacht besteden aan het onderwijs het in de publieke opinie (en bij de geldschieters) aanzienlijk beter te doen dan instellingen die met hun onderzoek willen scoren. Bovendien boeren de universiteiten nog steeds goed met hun fondsenwerving - al zijn er de laatste jaren verscheidene particuliere universiteiten verdwenen omdat ze het niet konden bolwerken.

Voor Van den Berg leidt deze mogelijkheid de publieke opinie ondanks vooroordelen voor zich te winnen, tot de conclusie dat ook in Nederland hogescholen en universiteiten moeten proberen zich van elkaar te onderscheiden. ' We moeten af van het idee dat hogescholen en universiteiten allemaal hetzelfde niveau hebben, hetzelfde doen en op dezelfde wijze moeten worden behandeld. Het hoger onderwijs is ondergedompeld in een grote grijze melee. Maar instellingen moeten een eigen missie formuleren. En dat hoeft heus niet zover te gaan als die universiteitspresident die twee lijstjes had gemaakt: eentje met de activiteiten die gestimuleerd zouden worden en een geheim lijstje met taken die moesten worden beeindigd.' Volgens de directeur is dit 'grijze uiterlijk' voor een deel het gevolg van de rol die de overheid in Nederland speelt. Van den Berg: ' De gedetailleerde wetgeving, waarbij van alles van bovenaf wordt geregeld, werkt sterk uniformerend. Strikt genomen biedt de wet veel mogelijkheden tot grote differentiatie. Maar het gedetailleerde karakter blijkt sterker, en werkt behoudend en afwachtend gedrag in de hand.'

De nieuwe wet op het hoger onderwijs zou daar volgens hem verandering in kunnen brengen.

Meer korte opleidingen

Het mag geen wonder heten dat de inmiddels op gang gekomen discussie over de vraag of het aanbod van universiteiten en hogescholen niet veel meer gedifferentieerd zou moeten worden, door Van den Berg wordt toegejuicht. Meer korte opleidingen, meer vrijheid voor studenten om zelf het onderwijspakket samen te stellen. Het is een reden te meer de Nederlandse verhouding tussen minister en hoger onderwijs te vergelijken met het concept van afstandelijk bestuur zoals dat in de Verenigde Staten is uitgewerkt. Daar kunnen de (staats)instellingen op op het gebied van personeel, inrichting van het onderwijs en organisatie een autoneem beleid voeren. De overheid heeft het onomstreden recht tussen de instellingen te coordineren en op grond daarvan over de verdeling van taken en geld te beslissen.

In Nederland gebeurt dat net andersom. De overheid regelt veel, maar laat de coordinatie aan de instellingen zelf over. Van den Berg: ' En daar komt natuurlijk niet veel van terecht. Je ziet dat aan de Vereniging van samenewerkende Nederlandse universiteiten, de VSNU. Die kan eigenlijk alleen maar functioneren op terreinen waarop de universiteiten het onderling eens kunnen worden, zoals kwalteitsbevordering en informatieverzameling. Maar samen beslissen over het verdelen van geld schept onderlinge verdeeldheid en tast het vertrouwen tussen de universiteiten en de overheid aan.'

Die laatste verhouding is als gevolg van de bezuinigingen op de universiteiten niet zo goed. Ook een aanpassing zoals die van de cursusduur heeft bijgedragen aan een verslechtering van de verstandhouding. Van den Berg: ' De universiteiten zijn met krachtige hand uit de ivoren toren gehaald. Hen is duidelijk gemaakt dat ze een maatschappelijke functie hebben die veel geld kost - en dat ze over hun functioneren dus verantwoording moeten afleggen. Maar misschien is het wat te hardhandig gebeurd.' Toch is openheid naast zorg voor het onderwijs het sleutelwoord waarmee volgens Van den Berg een maatschappelijk draagvlak kan worden opgebouwd. ' De universiteiten moeten er zich van bewust worden dat ze publieke instellingen zijn. Ze moeten informatie verstrekken, en cijfers waarmee niet is gegoocheld. Dat de Tweede Kamer het nodig vindt een accountant het opgegeven aantal studenten te laten verifieren, is een bedenkelijk teken aan de wand. Als je die cijfers al niet kunt vertrouwen, hoe zit het dan met de cijfers waaruit moet blijken dat er te weinig geld is om het werk te kunnen doen? Bovendien denk ik dat openheid en de bereidheid ook met zwakke punten en mislukkingen naar buiten te komen, sowieso helpt bij het herwinnen van vertrouwen en waardering.' Maar openheid is niet genoeg. Meer aandacht voor het onderwijs is eveneens onontbeerlijk. Van den Berg: ' Excellent onderwijs in een inspirerende omgeving die de student serieus neemt, vormt de beste basis voor maatschappelijke waardering. Het werven van oud-alumni voor het opbouwen van fondsen begint op de dag dat de eerstejaars met zijn studie aanvangt. Vanaf dat moment moet hij zich betrokken voelen bij zijn universiteit, het gevoel krijgen dat de universiteit er voor hem is. Dan zal hij later ook bereid zijn iets voor zijn universiteit te doen.'

    • Quirien van Koolwijk