Hongerstaking weerspiegelt strijdlust van Grapo-leden

MADRID, 13 febr. - Veel meer dan zestig dagen kan een mens niet zonder voedsel en als hij het zolang uithoudt heeft hij in ieder geval onherstelbare schade aan zijn lichaam toegebracht. In een reeks Spaanse gevangenissen weigeren leden van de links-extremistische beweging GRAPO echter nu al bijna zeventig dagen om te eten. Sommigen van de hongerstakers wegen nog maar dertig kilo. Drieenvijftig zijn er inmiddels in gevangenisziekenhuizen opgenomen, waar ze volgens een aantal rechterlijke besluiten wel mogen worden verzorgd maar niet tegen hun zin gevoed, tot het moment dat ze het bewustzijn verliezen. Dan mogen de artsen alles doen om hun leven te redden. Wanneer ze de ogen weer opendoen, staken bijna alle GRAPO-leden door.

Deze fanatieke strijd in het grensgebied tussen leven en dood is een protest tegen de omstandigheden waaronder veroordeelde terroristen in Spanje gevangen worden gehouden. Uit solidariteit hebben zich onlangs ook leden van de Rote Armee Fraktion en Action Directe in Duitse en Franse gevangenissen bij de hongerstaking aangesloten. Volgens de Spaanse minister van justitie Enrique Mugica moet de hongerstaking beschouwd worden als een vorm van 'politieke chantage' waarvoor de overheid onder geen beding mag zwichten.

Vijf advocaten van GRAPO-leden hebben vorige week bij het Europese parlement gevraagd om een onderzoek door de Subcommissie voor de Mensenrechten. In hun verzoekschrift stellen zij dat hun clienten in de gelegenheid zouden moeten worden gesteld om hun straf gezamenlijk en onder menswaardige omstandigheden uit te zitten zodat ze 'persoonlijk en als groep kunnen blijven groeien'.

Belofte

Volgens een van de raadslieden, de Madrileense advocate Francisca Villalba, heeft de Spaanse overheid na een eerdere hongerstaking, afgelopen najaar, beloofd dat de in totaal tachtig aangehouden leden van de beweging hun straf samen zouden mogen uitzitten. 'Na de verkiezingen van eind oktober is men van die belofte teruggekomen, ' zegt Villalba. 'De GRAPO-leden werden vanuit de zes gevangenissen waar zij zaten overgebracht naar tweeentwintig verschillende inrichtingen. Daar werden zij in isoleercellen gezet en niet of nauwelijks meer gelucht. Ze mochten geen bezoek en geen post meer ontvangen, niet meer naar de radio luisteren en zelfs geen boek meer lezen.'

Villalba zegt dat haar inmiddels de toegang tot sommigen van haar clienten is ontzegd, omdat men haar ervan verdenkt tot de protestactie te hebben aangezet.

Een woordvoerder van het ministerie van justitie noemt de overplaatsing van de gevangenen een manier om te voorkomen dat terreurdaden vanuit de cel worden voorbereid. De maatregel zou evenzeer gelden voor drugshandelaren en anderen die zich schuldig maken aan georganiseerde criminaliteit. 'Het is een onderdeel van ons beleid tegen het terrorisme', aldus de woordvoerder. Eerder in 1989, na het mislukken van onderhandelingen met de Baskische bevrijdingsbeweging ETA, werden honderdtwintig leden van deze organisatie naar andere gevangenissen overgebracht. Toen in november de GRAPO aan de beurt was, beantwoordde deze groep de maatregel niet alleen met het weigeren van voedsel maar ook door een nieuwe reeks aanslagen buiten de muren van de strafinrichtingen.

Op 13 december werd in Madrid een legercommandant zwaar gewond, op 15 december gebeurde hetzelfde met een kolonel in Valencia, drie dagen later kwam in Barcelona een politieman om het leven en op 28 december werden twee agenten die de wacht hielden bij een belastingkantoor in Gijon vermoord. In alle gevallen werden de slachtoffers door een of twee gemaskerde personen van dichtbij in het hoofd of in de buik geschoten. Terwijl al enige tijd werd gedacht dat de GRAPO de gewapende strijd had opgegeven, maakte de organisatie met dit machtsvertoon duidelijk dat zij nog altijd in staat is door heel het land het staatsapparaat slagen toe te brengen.

Ontevreden

De Grupos Antifascista Primero de Octubre, zoals de GRAPO voluit heet, is een beweging die haar oorsprong vindt in Franco's tijd en is opgericht door leden van de Spaanse communistische partij die ontevreden waren met de gematigde koers die deze partij was ingeslagen onder leiding van haar voorman Santiago Carrillo. Uit verscheidene van deze ontevreden fracties ontstond in het begin van de jaren zeventig de CPEr (Communistische Partij van Spanje, heropgericht), die nog steeds wordt gezien als de legale arm van de GRAPO. Aanleiding tot de eerste gewelddaden was de executie, in 1975, van vijf veroordeelden die tot andere gewapende verzetsgroepen behoorden.

Volgens het propagandamateriaal van de groep is de 'zogenaamde overgang naar de democratie' in Spanje niet meer dan een door fascisten bedachte truc om onrechtvaardige maatschappelijke verhoudingen te laten voortbestaan. Daarom is de beweging ook na de dood van Franco blijven strijden voor de omzetting van Spanje in een volksrepubliek, waarin het leger is afgeschaft en 'de massa's worden bewapend'. De GRAPO pleit voor het instellen van volkstribunalen van arbeiders en studenten die alsnog recht zouden moeten spreken over civiele ambtenaren, soldaten en politiemensen die Franco's regime hebben gediend.

Zolang dit doel niet is bereikt probeert de groep volgens een klassiek marxistisch-leninistisch patroon de staat te destabiliseren door middel van aanslagen op gezagsdragers en overvallen op banken en belastingkantoren. Sinds 1975 heeft de verzetsbeweging meer dan zestig personen gedood, terwijl in de eigen gelederen negentien slachtoffers zijn gevallen. Manuel Perez Martinez ('kameraad Arenas') wordt beschouwd als leider van de hecht georganiseerde groep, die vaak zelfs in familieverband opereert. Onder de gevangen GRAPO-leden zijn negentien vrouwen. Perez Martinez woont sinds enige tijd in Parijs, na het uitzitten van een straf van zeven jaar in Spaanse gevangenissen. Hij heeft in 1984 een wapenstilstand aangeboden in ruil voor onmiddellijke vrijlating van alle leden van zijn beweging, maar op dit aanbod zijn de autoriteiten niet ingegaan.

Terwijl elders in Europa het links-extremistische geweld duidelijk op zijn retour lijkt, maken de nieuwe aanslagen en de strak volgehouden hongerstaking duidelijk dat de GRAPO nog weinig van haar strijdlust en interne samenhang heeft verloren. Hoewel de solidariteitsbetuigingen uit Frankrijk en Duitsland anders doen vermoeden, wordt niet aangenomen dat de Spanjaarden regelmatige contacten onderhouden met de rudimenten van gelijksoortige groepen in andere Europese landen. Eerder lijkt de GRAPO de laatste tijd aansluiting te zoeken bij het Baskische verzet. De verantwoordelijkheid voor de jongste aanslagen werd opgeeist in brieven aan Egin, het in Bilbao verschijnende dagblad dat ook door de ETA als communicatiekanaal wordt gebruikt.