EG-regel schept markt voor advies bedrijfsgezondheid

ROTTERDAM, 13 febr. - De komende drie jaar zal een een grote markt ontstaan voor adviesbureaus en instituten die vooral middelgrote en kleine bedrijven gaan helpen bij het voorkomen van ongevallen en schade aan de gezondheid van werknemers.

Dat zegt de arts S. Buma, hoofd van de afdeling organisatie bedrijfsgezondheidszorg van het ministerie van sociale zaken en werkgelegenheid. Op 31 december 1992 wordt een nieuwe EG-kaderrichtlijn van kracht, die een verbetering van gezondheid en veiligheid van de werknemer beoogt. De richtlijn houdt in, dat op dat moment alle werkgevers in de Europese Gemeenschap - van een oud-papierbedrijf op de hoek tot een gigantische multinational - worden verplicht om een preventie-beleid te voeren. Daartoe moeten de werkgevers een of meer eigen werknemers aanwijzen, die zich met bescherming tegen en preventie van beroepsrisico's bezighouden. De richtlijn stelt voorts dat die werknemers genoeg in aantal moeten zijn en over voldoende tijd, middelen en capaciteiten moeten beschikken, naar gelang de soort en grootte van het bedrijf. De personeelsleden, die met mogelijk onwelgevallige adviezen komen mogen door hun taak geen enkele schade lijden, zo zegt de maatregel. De werkgever moet zijn werknemers bovendien in de gelegenheid stellen zich op gezette tijden medisch te laten onderzoeken.

De overheid kan categorieen van bedrijven aanwijzen waarin de werkgever zelf de preventie-activiteiten mag verrichten en dus geen werknemers behoeft te werven voor de preventie-taak. Als die mogelijkheid in een bedrijf ontbreekt moet de werkgever een beroep doen op deskundigheid buiten de deur. Met zo'n instituut moet de werkgever dan een samenwerkingsverband aangaan.

De eisen aan het preventie-beleid kunnen per bedrijf sterk verschillen. De ene firma kent maar weinig risico's die bovendien gemakkelijk te voorkomen zijn, bij andere ligt dat veel gecompliceerder. Daar zullen de werknemers die worden belast met de uitvoering van het beleid dus ook zwaarder moeten worden geschoold.

De overheid kan bedrijven wettelijk verplichten om een bedrijfsgezondheidsdienst te hebben. Dat is gebeurd bij fabrieken met meer dan 500 werknemers, sociale werkplaatsen en loodpigment- en loodaccu-fabrieken. Alles bij elkaar beschikt op die manier veertig procent van de Nederlandse beroepsbevolking al over deze vorm van zorg; er zijn 154 bedrijfsgezondheidsdiensten. Honderdtien bedrijven hebben een eigen dienst, terwijl 44 bedrijven in samenwerking met elkaar daarin hebben voorzien. Er werken in ons land 4.243.397 mensen bij in totaal 460.438 'bedrijfsvestigingen'. De nieuwe richtlijn vergt dus een grote inspanning van 'de bulk' van de bedrijven in ons land.

Er zijn nu al veel instituten en bureaus zonder medische functie die bedrijven bijstaan met adviezen over veiligheid, maar zij worden veelal ingehuurd door grotere bedrijven.

Deze adviesbureaus zijn monodisciplinair, commercieel, landelijk werkzaam en kunnen concurreren met bedrijfsgezondheidsdiensten voor het onderzoek op de werkplek. De huidige bedrijfsgezondheidsdiensten doen altijd 'onderzoek aan de mens' en leggen dan de relatie met de werkplek. Ze zijn aan een vaste regio gebonden en mogen geen winst maken. Zij bieden meestal een 'totaal pakket' aan en zijn juist door die vaste tariefsstelling nauwelijks in staat om tegen deze bureau's te concurreren, die zich losse taken stellen.

Buma verwacht niet dat alle bedrijven zich in de toekomst zullen gaan beperken tot het aanstellen van werknemers die zich met preventie gaan bezighouden of het inhuren van een commercieel bureau. Een aantal bedrijven zal volgens de huidige programmering ook verder gaan met het al dan niet gezamenlijk opzetten van bedrijfsgezondheidsdiensten, zoals die door de Arbeidsomstandighedenwet zijn voorgeschreven. De EG-richtlijn stelt bovendien dat de maatregelen 'geen rechtvaardiging mogen zijn voor een eventuele verlaging van de in iedere lidstaat reeds bereikte beschermingsniveaus'. Met andere woorden; wat er is mag niet minder worden. Op dit ogenblik wordt binnen de bouwnijverheid gewerkt aan uitbreiding van de zorg. Naast keuringen en periodiek geneeskundig onderzoek moeten de BGD's nu ook de bouwplek leren onderzoeken. Binnen andere riskante categorieen wordt nog op maatregelen gestudeerd, zoals de ziekenhuizen, de vervoerssector, de landbouw en de chemische industrie.

De EG-richtlijn heeft alleen in ons land al betrekking op een paar honderdduizend bedrijfsvestigingen, die samen zestig procent van de totale beroepsbevolking werk bieden en nog geen bedrijfsgezondheidsdienst hebben. In veel van die bedrijfjes zal de werkgever zich zelf met preventie mogen belasten, zo verwacht Buma, omdat ze te klein zijn of zo weinig risico's kennen dat met minimale maatregelen kan worden volstaan. Maar er resteert een grote middengroep, die zal worden verplicht om werknemers vrij te stellen voor het verrichten van preventie-taken en daartoe een opleiding moeten volgen. De overheid zal daarbij deskundigheidsniveaus moeten gaan aangeven waaraan de werknemers moeten gaan voldoen, maar die eisen moeten ook worden gesteld aan de externe adviesbureaus waarop de werkgever een beroep mag doen. Buma voorziet, dat het aangeven van die deskundigheidsniveaus voor de overheid de grootste voorbereiding zal vergen in de nog resterende tijd, temeer omdat de huidige deskundigheid binnen die bedrijven erg gering is. Bovendien zal 'het kaf zal van het koren' moeten worden gescheiden, zodat werkgevers kunnen vertrouwen op de van overheidswege gecontroleerde deskundigheid van de bureaus die zij inschakelen.

Hoewel de richtlijn geen bedrijfsgezondheidszorg voorschrijft, zal er wel een grote markt voor periodieke keuringen ontstaan, wegens 'het passend gezondheidstoezicht' in de vorm van periodiek medisch onderzoek, zoals de richtlijn beveelt. Dat is weer typisch werk voor de BGD's.

Resteert het adviseren over arbeidsomstandigheden en werkplek. Hier komt een enorm marktsegment vrij. De commerciele adviesbureaus kunnen hun tariefstelling zelf vast stellen en zijn dus in staat te gaan concurreren met bedrijfsgezondheidsdiensten. Als die BGD's er niet in slagen losse adviezen te geven zonder medische functie en daarvoor een nieuwe tariefsstructuur te ontwikkelen riskeren ze die enorme markt uit handen te geven.

Het doel van medische preventie is het wegnemen van risico-factoren aan de bron. Maar gezondheidseffecten door toxische stoffen of trillingen worden pas op langere * mijn zichtbaar en kunnen slechts worden gesignaleerd door medisch onderzoek. Een goede werkgever zou er, volgens Buma, dus verstandig aan doen om toch te overwegen de medische deskundigheid in te schakelen om de beroepsziekten langs die weg in beeld te krijgen en vervolgens aan adequate preventie te gaan doen.

Volgens een woordvoerster van het Verbond van Nederlandse Ondernemingen (VNO) is het nog prematuur nu voorspellingen te doen over de vraag wat de richtlijn zal betekenen voor het bedrijfsleven. 'Wij moeten eerst afwachten op welke manier het departement van sociale zaken en werkgelegenheid de richtlijn in de Nederlandse Arbeidsomstandighedenwet wil gaan inpassen. Dan is er nog een advies te verwachten van de Arbo-raad. Naar ons idee zal er niet zo erg veel behoeven te gebeuren. Het staat de overheid volgens de richtlijn ook nog vrij om sectoren uit te zonderen.'