Rechtlijnig Eerste-Kamerlid Kaland schuwt strijd niet; Taaiebestuurder uit de provincie

'Het is bijzonder dat iemand de minister-president durft te attaqueren. Je moet van goeden huize komen de 'self-made man' Kaland van een ander standpunt te kunnen overtuigen, hij is wel eens een beetje breedsprakig maar zijn conclusies zijn altijd uitstekend gefundeerd', aldus oud-commissaris van de koningin in Zeeland, mr. J. van Aartsen (1965-1974). Kaland had al vroeg de reputatie een vechter te zijn. Als bestuurder werkte hij zich ermee op van raadslid en wethouder in Middelburg tot Statenlid en Gedeputeerde (1962). De vermaarde en inmiddels overleden oud-hoofdredacteur G. A. de Kok van de Provinciale Zeeuwse Courant noemde hem indertijd een natuurtalent, een wilskrachtig en energiek gedeputeerde, taai aan de onderhandelingstafel en bereid om tot het uiterste te gaan. Een rechtlijnig bestuurder die niet gevoelig is voor nuances. Kok: 'Hij treedt nogal polemisch op en werkt daardoor de polarisatie, die hij zelf zegt te verafschuwen, in de hand.' Bijna twintig jaar later lijkt Kaland nauwelijks veranderd. Uit zijn optreden in de Eerste Kamer blijkt dat hij nog steeds een man is die de strijd niet schuwt.

Onmiskenbaar zijn deze eigenschappen te verklaren uit Kalands achtergrond, zijn geboorteplaats Westkapelle, ooit een dorp dat voor meer dan de helft uit dijkwerkers bestond. 'Die Westkapellaars hebben harde koppen. Het zijn keiharde bliksems, dat zie je ook nu weer', zegt Staatsraad mr. M. C. Verburgh, die Kaland omstreeks 1962 leerde kennen. Beiden werkten in het Economisch Technologisch Instituut (ETI) in Middelburg, waar de blauwdrukken voor het nieuwe, geindustrialiseerde Zeeland werden uitgewerkt. Verburgh deed dat vanaf 1948 als directeur, Kaland tussen 1966 en 1978 als bestuursvoorzitter.

Om het doorzettingsvermogen van de autodidact Kaland te illustreren diept Verburgh een anekdote uit 1978 op, toen beiden werden benoemd tot commissaris in de raad van bestuur van het Amerikaanse chemiebedrijf Dow Chemical in Terneuzen, waar uitsluitend Engels werd gesproken. 'Kaland trok in bij een gezin in Engeland, omdat hij absoluut geen Engels sprak. Hij ging met de pet over de sloot. Z'n vrouw mocht niet mee, want dan zou hij zich nog aan het Nederlands bezondigen. Ik wil niet zeggen dat hij goed Engels spreekt, maar het is wel begrijpelijk.'

Stoomcursus

Doorzettingsvermogen toonde Kaland al aan het begin van zijn carriere. Verder dan de lagere school was hij niet gekomen, hij sleet zijn jeugd thuis op de boerderij. Kort na de oorlog werd hij afgekeurd voor de marechaussee, waarna hij in 1947 dank zij zelfstudie (boekhouden, economie) een baan kreeg als deurwaarder bij de belastingdienst in Middelburg. De kennis die hij daar opdeed kwam goed van pas toen de belastinginspecteur de aftrekposten naar aanleiding van Kalands stoomcursus Engels niet wilde accepteren. Het gerechtshof stelde Kaland echter in het gelijk, waarop de staatssecretaris van financien in beroep ging bij de Hoge Raad. Maar ook daar trok Kaland, zonder hulp van advocaten of adviseurs, aan het langste eind. 'Het betekende een ommekeer in de rechtsbeginselen op dat gebied', zegt Kaland nu.

Kaland en Verburgh werden vanaf de jaren zestig beiden zowel 'Mister Zeeland' als 'De onderkoning van Zeeland' genoemd. Verburgh maakte in 1954, als eerste, een studie naar een vaste oeververbinding over de Westerschelde, propageerde de aanleg van de Zeelandbrug en zette het Sloegebied op papier. Kaland was de voornaamste uitvoerder van zijn plannen. 'Een geweldige man voor het bestuur, die boven de rest uitstak', aldus Verburgh.

In de tweede helft van de jaren zestig zette Kaland zich als industrie-gedeputeerde en voorzitter van de raad van bestuur en van het dagelijks bestuur van de Provinciale Zeeuwse Elektriciteitsmaatschappij (PZEM) in voor de bouw van een commerciele kerncentrale in Borsele en daaraan gekoppeld de komst van de Franse aluminiumgigant Pechiney. Hij droeg bij aan de vestiging van het chemiebedrijf Hoechst en het Franse olieconcern Total en haalde een gasterminal naar het Sloegebied. Zeeland werd van een agrarische provincie met steeds meer werklozen een gebied waar duizenden nieuwe banen ontstonden.

Niet iedereen in Zeeland nam de inspanningen van Kaland in dank af. De milieubeweging, met name de Vereniging Milieuhygiene Zeeland (WMZ), verweet de gedeputeerde dat hij zich meer zorgen maakte over de 'damslapers' in Amsterdam dan over de luchtverontreiniging die nieuwe fabrieken met zich meebrachten. 'Het leek er wel eens op dat Kaland een actieve bezorgdheid voor het milieu synoniem vond aan links-radicalisme', signaleerde de PZC destijds in een hoofdartikel.

Serieus

Kaland belandde in de plaatselijke politiek door de belangstelling die hij daarvoor tijdens zijn werk bij de belastingdienst in Middelburg had opgedaan. In 1950 meldde hij zich bij de jongerenafdeling van de Christelijk Historische Unie, drie jaar later was hij raadslid voor die partij. Hij kwam weliswaar uit een boerengezin waar AR werd gestemd, zijn sympathie lag bij de CHU, 'een verdraagzame, redelijke partij, niet te dogmatisch'.

Later zou Kaland, als penningmeester, deel uitmaken van het partijbestuur. In 1972 werd hij door partijvoorzitter prof. dr. J. W. van Hulst voorgedragen als diens opvolger. Tevergeefs. Drs. A. D. W. Tilanus, de laatste fractieleider van de CHU in de Tweede Kamer, roemt Kaland als 'een man die - nog steeds - zeer serieus tegen de dingen aankijkt, niet over een nacht ijs gaat, goed naar mensen luistert en de zaken die hij behandelt veel aandacht geeft'.

'Het was een verdomd handige vent', zegt oud-vakbondsbestuurder A. van Aalst die tot 1971 namens de ABVA talloze malen met de bestuursvoorzitter van de PZEM aan de onderhandelingstafel zat. 'We hebben vaak ons zin gehad. In de jaren zestig was er weinig voor het personeel van de PZEM geregeld en niet in de laatste plaats dank zij Kaland kwamen goede arbeidsvoorwaarden tot stand. We hebben vruchtbaar met hem samengewerkt, totdat de problemen met Bogerd begonnen.' De inmiddels gepensioneerde vakbondsbestuurder beroert daarmee 'een zwarte bladzijde in de geschiedenis van Zeeland', zoals Kaland het zelf noemt. Begin '71 bleek dat toenmalig PZEM-directeur ir. T. Bogerd deels op kosten van het bedrijf een riante bungalow had laten neerzetten. Kaland, die Bogerd te lang de hand boven het hoofd had gehouden, wilde in de Staten voorstellen de PZEM-directeur te ontslaan, maar een motie van de PvdA ging nog een stap verder: Kaland moest zijn functies bij de PZEM neerleggen. Kaland dreigde te vertrekken als gedeputeerde indien de motie zou worden aangenomen, omdat hij het werk bij de PZEM nadrukkelijk verbonden achtte met zijn energieportefeuille. Het grootste deel van het provinciebestuur wilde hem niet kwijt, de motie werd verworpen. De positie van Kaland was inmiddels zodanig aangetast dat hij in het najaar van 1971 besloot zijn functies bij de PZEM neer te leggen, 'namens de CHU en tegen eigen opvattingen en inzichten in'.

Bijna twintig jaar later beschouwt Kaland de affaire 'primair als een poging van de socialisten om mij een kopje kleiner te maken'. In de schaduw van de 'zaak-Kaland' speelde zich een klein drama in kerkelijke kring af. Het toeval wilde dat Kaland, Bogerd en Statenlid W. Don (PvdA) in Middelburg dezelfde 'Ontmoetingskerk' bezochten. Het conflict greep diep in; de familie Kaland week uit naar een andere kerk. Het was namelijk Don die in een vroeg stadium, in de beslotenheid van een aandeelhoudersvergadering van de PZEM, Kaland had gewaarschuwd dat er over de fraude van Bogerd openheid moest zijn. 'Ik denk niet met veel plezier aan die tijd terug', zegt Don. Het belet hem niet Kaland te schetsen als een 'uitermate getalenteerd bestuurder' voor wie de PZEM-affaire de enige black-out in zijn carriere was. De afgelopen vijf jaar werkte Don als hoofdbestuurslid van de Vereniging van Gasbedrijven in Nederland (VEGIN) met Kaland samen.

Tegenspeler

Kaland bleef tot 1978 gedeputeerde, een jaar eerder was hij gekozen in de Senaat. Na het verlies van zijn functies bij de PZEM kon hij zich op het terrein van de energievoorziening uitleven bij de VEGIN, waarvan hij in 1972 (tot eind vorig jaar) de eerste voorzitter werd. De PZEM liet hij achter als het eerste provinciale nutsbedrijf dat zowel gas als elektriciteit verhandelde. Bij de VEGIN probeerde Kaland jarenlang, maar tevergeefs, de koppeling van de gasprijs met de (dure) huisbrandolie te verruilen voor een koppeling met de stookolieprijs. Mr.drs. W. W. M. Dessens zat de afgelopen vijf jaar als directeur-generaal van het ministerie van economische zaken tegenover Kaland bij onderhandelingen over de gasprijs. Hij leerde Kaland kennen als een geducht tegenspeler: 'Ook de heren in het kabinet merken nu dat hij dat is. Hij stelt duidelijk hoe de verhoudingen liggen, zonder de rol van tegenstander op zich te nemen'. Volgens VEGIN-directeur drs. G. G. Groenewegen heeft Kaland er voor gewaakt dat de VEGIN een verlengstuk van Economische Zaken werd. Wat hem in zestien jaar samenwerking met Kaland vooral opviel was dat deze er steeds in slaagde uit omvangrijke rapporten en begrotingen de essentie te halen. 'Daar had hij een gave voor.' Op de valreep boekte Kaland bij de VEGIN een fraai succes. Als onderdeel van het Nationaal Milieubeleidsplan wilde het kabinet de accijns op huisbrandolie bij wijze van milieuheffing met een cent verhogen. Door de koppeling huisbrandolie-gas zou ook de prijs van gas stijgen. Na druk uit de Tweede Kamer trok het kabinet het voorstel in december in. Ervoor in de plaats komt nu een heffing op alle brandstoffen. Groenewegen: 'Dat zou je het laatste succes van Kaland kunnen noemen'.(Foto NRC Handelsblad/ Leo van Velzen)