'Noorden moet lage-lonen-regio worden'

GRONINGEN, 12 febr. - De Investeringspremieregeling (IPR) moet worden afgeschaft. Deze, soms forse subsidie voor investeringen in de regio heeft de afgelopen jaren een flink aantal bedrijven naar het noorden van Nederland gelokt. Maar dat zijn vooral kapitaalintensieve bedrijven die verhoudingsgewijs weinig werkgelegenheid hebben opgeleverd. Dat zegt dr. J. Oosterhaven, vorige week benoemd tot bijzonder hoogleraar in de regionale economie aan de Rijksuniversiteit Groningen. 'Voor een echte bestrijding van de werkloosheid in deze regio moeten we de IPR afschaffen en dat geld gebruiken om het verschil tussen netto- en bruto-lonen voor de werkgever te verkleinen. Het noorden zou een lage-lonen-regio voor ondernemers met hoge loonkosten moeten worden. Dan is er een reele kans op verbetering van de werkgelegenheid, juist voor de groep hoog-opgeleiden die nu wegtrekt', zegt Oosterhaven. Jaarlijks trekken bijna 3000 mensen weg uit Friesland en Groningen. Het gaat om vaak hoog opgeleide mensen voor wie in het noorden geen baan is te vinden die is toegesneden op hun opleiding. Oosterhaven: 'Dat komt denk ik omdat met name het midden- en kleinbedrijf hier een beetje achterloopt bij het overnemen van elders ontwikkelde innovaties. In de hier gevestigde filialen van grotere bedrijven die we hier ook hebben gebeurt dat wel.' Oosterhaven is ook van mening dat bedrijven in de Randstad moeten meebetalen aan de maatschappelijke kosten die voor hen worden gemaakt. Nu subsidieert de regio eigenlijk de Randstad.

Wegenbelasting, benzine-accijns en tarieven van het openbaar vervoer zijn voor iedereen in Nederland ongeveer gelijk. Maar de kosten van de infrastructuur voor het wegverkeer en het openbaar vervoer zijn in de Randstad vele malen hoger dan in de rest van het land. 'De maatschappelijke kosten die we voor economische activiteiten accepteren zijn ongelijk verdeeld over de verschillende delen van ons land en daar profiteren bedrijven in de Randstad van. Het vervoer blijft in de Randstad relatief goedkoop en dat is een van de redenen waarom daar veel bedrijven blijven zitten, terwijl dat voor de aard van hun activiteiten helemaal niet nodig is. Ze zouden zich net zo goed in de regio kunnen vestigen, maar de economische noodzaak ontbreekt nog. Door de gebruiker naar verhouding tot de gemaakte kosten te laten betalen is dat motief er wel en worden gebieden buiten de Randstad voor een aantal bedrijven interessant als vestigingsplaats', aldus Oosterhaven. Hij vindt zijn idee allerminst gedurfd: 'De voorstellen van minister May-Weggen over het rekening-rijden zijn eigenlijk gebaseerd op het principe dat de gebruiker moet betalen. Politiek gezien is er dus wat beweging.' Oosterhaven maakte eind jaren zeventig wetenschappelijk naam met de ontwikkeling van een model waarmee de regionale effecten van economische maatregelen kunnen worden berekend. Zo analyseerde hij de omstreden overplaatsing van de centrale directie van de PTT naar het noorden. De uitkomsten waren zowel voor de regionale als randstedelijke politici ontnuchterend: de nadelige gevolgen van het vertrek van de centrale directie waren veel minder ernstig dan in de Randstad werd gesuggereerd. Het positieve effect voor de regio was minder groot dan men in Groningen verwachtte. Oosterhaven is positief is over de economische ontwikkelingskansen van het noorden. 'De economische groei-as in Europa loopt sinds een paar jaar in zuidelijke richting. Brabant en Limburg hebben daar duidelijk van geprofiteerd. Maar de komende jaren gaan de Duitsers zich op het oosten richten. Die groei-as schuift daardoor op in noordelijke richting en dat is gunstig voor het noorden. Bedrijven willen langs of in de buurt van zo'n groei-as zitten.'

    • Marien Abrahamse