Diefstal verhinderd uit staatsmuseum in Oost-Duitsland

OOST-BERLIJN, 12 febr. - Een toevallig passerende straatagent heeft zaterdag in de Oostduitse stad Tessau verhinderd dat zes oude meesters werden gestolen uit het staatsmuseum Slot Georgium.

De kunstdieven, afkomstig uit West-Berlijn, werden in het park aangehouden met onder de arm schilderijen van onder anderen Frans Hals, Rubens, Tischbein en Lucas Cranach. De schilderijen vertegenwoordigen een gezamenlijke waarde van 10 a 20 miljoen gulden. Het museum had in 1974 beveiligingsapparatuur aangevraagd, deze onlangs gekregen, maar het lag allemaal nog in de kelder omdat er geen vakman (meer) was die de apparatuur kon aanbrengen. Inmiddels blijkt dat de interesse van de Bondsrepubliek voor de Oostduitse kunst zich beperkt tot oude schilderijen en boeken. Terwijl in de DDR de angst voor een heimelijke 'uitverkoop' blijft bestaan, is er in de Bondsrepubliek sinds de opening van de grens nauwelijks een toename te bespeuren van de illegale verkoop van kunstgoederen uit de DDR. Na de onthullingen over de activiteiten van de Oostduitse staatsfirma Kunst und Antiquitaten GmbH werd in november alle uitvoer van antiek en kunst (op grafiek tot honderd mark na) verboden. Deze firma verkocht de afgelopen jaren tal van kunstvoorwerpen - van schilderijen, oude boeken tot middeleeuwse straatstenen - om aan harde valuta te komen. Medewerkers van de staatsmusea in Oost-Berlijn dreigden eind vorige maand met een staking als er geen onafhankelijk onderzoek zou komen naar de opheffing van deze kunstfirma.

Zij vermoedden dat de firma via de antiekhandel Pirna gewoon doorgaat met de verkoop van kunstprodukten aan het buitenland. Tot zaterdag waren er bij de Westberlijnse politie echter geen meldingen binnengekomen van illegale kunsttransacties, noch uit de DDR, noch uit de rest van het oostblok. In de kunst- en antiekhandel in de Bondsrepubliek zegt men dat het aanbod vanuit de DDR de afgelopen maanden weliswaar wat groter is geworden, maar dat het voornamelijk gaat om tweederangs goederen: een koperen kandelaar, een zakhorloge van opa, een paar theekopjes van Meissner-porselein, of schilderijtjes van het type Zigeunerinnetje. In de DDR zelf is er wel sprake van een uitverkoop van kunst. De galeries en veilingen doen uitstekende zaken. Na de openingsdag, na de eerste veilingsdag, is alles meestal al weg. Hiervoor zijn ten dele de Westduitse kopers verantwoordelijk, die zelf of via stromannen werken aankopen omdat deze, als men zwart heeft gewisseld, voor een habbekrats zijn te verwerven. Het zijn vooral de Oostduitsers zelf die zich op de kunst hebben gestort. Zij zien kunst als een veiliger belegging van hun spaargeld dan de staatsspaarbanken. De prijzen van de Oostduitse kunst stijgen dan ook gestaag. Dit geldt zowel voor de officieel goedgekeurde kunst, voorzien van het stempel 'cultuurgoed der DDR' als de zogeheten vrije kunst, die wordt verkocht in de paar prive-galeries die hier en daar zijn geopend. Zo bracht een Daumier-lithografie op een veiling in Leipzig 800 mark op, een nieuwe druk van de ets Der Ausrufer (1921) van Max Beckmann 3.200 mark en een gesigneerde kleurenlitho van Tix 31.000 mark.

    • Henri Beunders