De noodzaak van politiek

Jarenlang hebben we kleinsteeds mogen mekkeren over de vraag of de samenleving wel maakbaar is en, zo nee, over de vraag of de politici en hun politieke partijen in onze gefragmentariseerde samenleving dan nog wel reden van bestaan zouden hebben. Dat was leuk en soms ook interessant. Het heeft ons in elk geval van de straat gehouden.

Uiteindelijk is 't postmoderne debatje echter toch niet zo relevant gebleken omdat we, in onze fixatie op onze Westeuropese verhoudingen, consequent langs de echte vraagstelling heen bleven zeilen.

Dat kan nu niet meer. Want sinds november vorig jaar is het geen vrolijke academische kwestie meer, maar een zaak van oorlog en vrede. Sinds een kwartaal staan we tot aan onze liezen in de troep, in een chaos die ons confronteert met een klassieke probleemstelling: de relatie tussen de wil en de omstandigheden, tussen ons individuele politieke handelen en de maatschappelijke onderstroom, kortom: de verhouding tussen voluntarisme en structuralisme. Twee opvattingen die altijd op gespannen voet met elkaar staan en in een periode van echte omwenteling soms onverzoenbaar blijken.

Zoals bijna altijd in de revolutie heeft ook dit keer de politiek in eerste instantie slechts het nakijken gehad. Sommigen geven dat openlijk toe. 'De Duitse eenheid komt nu. Ze is echter geen daad maar een gebeurtenis. Wij moeten haar niet als een prestatie beschouwen maar als een geschenk', erkent Peter Bender, regeringswoordvoerder van de voormalige bondskanselier Helmut Schmidt, in Die Zeit.

Reed Stillwater, een in de Bondsrepubliek wonende Amerikaanse publicist, heeft het onlangs nog wat algemener geformuleerd. 'Revoluties zijn catastrofes. Ze worden niet gemaakt, ze gebeuren gewoon', betoogt hij in het jongste nummer van Neue Gesellschaft, het wetenschappelijk tijdschrift van de SPD dat wordt geleid door partijcriticus Peter Glotz.

Maar al vloeien de revoluties dezer maanden ogenschijnlijk als Gods water over Gods akker, van Berlijn via Praag tot Kaapstad, ze hebben tegelijkertijd ook de noodzaak van politieke actie geprovoceerd, de behoefte om onze omstandigheden naar de hand van onze wil te zetten in plaats van omgekeerd. En dat nu is kennelijk een moeizaam proces.

De houding van nagenoeg alle Duitse politici heeft dat afgelopen maanden treffend geillustreerd. Geen van allen had begin november enige greep op de gebeurtenissen. Waarom? Omdat ondanks al het enthousiasme de Bondsrepublikeinen toen met hun neus op een nieuw maar onaangenaam verleden werden gedrukt. De DDR-Duitsers en andere 'Uebersiedler' namen, zoals Stillwater het analyseert, een 'stuk geconserveerd oud Duitsland met zich mee, een stuk van het Duitsland waarmee de Westduitsers niets meer van doen willen hebben'. De spiegel die de Trabant de Mercedes uit de 190-serie voorhield, weerkaatste de onverwerkte geschiedenis van de Bondsrepubliek. De DDR'ers op de Kudamm in Berlijn reflecteerden het schuldgevoel over 45 jaar ongestoord materialisme, door de status quo veilig gescheiden van het lot van miljoenen taalgenoten elders.

Dat was een ervaring die alle retoriek van voor die tijd wegspoelde. Van dat moment af aan zijn nagenoeg alle Europese politici maar door een emotie bevangen geweest: hoe krijgen we weer een vinger achter het 'momentum', hoe kan de politiek haar plaats heroveren, op welke wijze kunnen we met onze wil het dictaat van de omstandigheden de baas? Daarin is de klassieke politiek her en der ten dele geslaagd. Met de reis van bondskanselier Kohl dit weekeinde naar Moskou, waar hij naar eigen zeggen de zegen van Gorbatsjov kreeg, lijkt ze het pleit zelfs weer gewonnen te hebben.

Maar in welke mate is het echt en in hoeverre is het schijn? Want ondanks de herwonnen kracht van onze politieke wil en onze vertrouwde middelen, stroomt het daaronder toch gewoon door. Uit de diepvrieskist komen nu allerhande historische etenresten, waarvan we niet weten of ze na ontdooien nog eetbaar zijn of niet. En op de verwarring die daarvan het gevolg is, heeft de politiek nog altijd geen greep.

Zelfs Peter Glotz, een man die zichzelf over het algemeen weinig tijd gunt om te twijfelen, lijkt het spoor bijster. 'De nationale staat is aan het eind van de twintigste eeuw economisch, ecologisch, militair en cultureel een achterhaald begrip. Cultureel moeten we omlaag naar de stammen, naar de kleine taalkundige, etnische, gewestelijke eenheden, naar een federalisme, waarin de Basken zich even vrij voelen als de Vlamingen, de Walen, de Slowaken en de Beieren of de Saksen', schrijft hij in het laatste nummer van Socialisme en Democratie, het wetenschappelijk maandblad van de PvdA. 'Maar economisch en ecologisch moeten we tot grotere supranationale structuren komen', voegt hij er meteen aan toe. Het nieuwe 'bevrijdingsnationalisme' moet daarom 'niet te licht' worden opgevat, aldus Glotz. 'Europees links moet aan haar internationalistische concept'. Het klinkt mooi en verstandig. Wie wil terug naar bladzijde 147 van Westermann's historische atlas, het kaartje van Europa de dato 1913? Wie is niet huiverig voor al die benepen xenofoben a la Schonhuber, die maar al te graag in het vacuum zouden duiken? Maar belangrijker is toch dat Glotz niet verder gaat dan het signaleren van de actuele situatie. Ook hij heeft geen flauw idee hoe voorkomen kan worden dat de 'stammen' in hun 'bevrijdingsnationalisme' de supranationale staat gaan ondermijnen.

Glotz is niet de enige in West-Europa. Bijna al onze politici weten zich amper raad. En dat komt niet omdat ze geen hersens hebben. De oorzaak ligt volgens mij in de langzame teloorgang van het voluntarisme in de politiek in West-Europa.

Daar waar de bevrijding van de individuele mens veel minder ver is voortgeschreden, is deze morele opvatting nog wel levend, levendiger dan ooit. Paus Johannes Paulus II, Gorbatsjov, Havel, De Klerk en Mandela en bovenal Walesa (de man die een jaar geleden met een aanvankelijk onbegrijpelijke manoeuvre 45 jaar communisme zomaar terzijde schoof) zijn er de hedendaagse exponenten van.

Maar met het wegkwijnen van de ideologische politiek is bij ons de macht van de politiek als middel tot integratie van massa en elite juist op zijn retour geraakt. Voor de individuele burger is dat een aangename ontwikkeling geweest. Wee het ongelukkige volk dat sterke leiders behoeft. Maar daardoor krijgen allerhande structurele onderstromen wel meer kans. Of we daar louter blij om kunnen zijn?