Verinnerlijking

HET MILIEU-CONVENANT is de laatste jaren een trend in het milieubeleid. Overheid en bedrijfsleven sluiten overeenkomsten over zaken als kwikbatterijen, fosfaten, afvaltransport en cadmiumhoudende kratten. Dergelijke afspraken dienen wat men noemt de 'verinnerlijking' van het milieubeleid. De nieuwe minister van milieu Alders is kennelijk niet onder de indruk. Hij zegt tegemoet te willen komen aan de roep van zijn politieke geestverwanten in de Tweede Kamer om meer dwingende voorschriften met sancties. Politiek is het pikant te zien hoe de bewindsman deze gespierde taal denkt te verenigen met de onmiskenbare nadruk die het kabinet waarvan hij deel uitmaakt in de regeringsverklaring legde op het 'zelfregulerend vermogen van de samenleving'.

Dat wordt zelfs een zwaartepunt in het beleidsplan dat coalitie-collega Hirsch Ballin dit voorjaar moet uitbrengen. Een niet onbelangrijk detail is dat deze auteur als minister van justitie een sleutelrol speelt bij de daadwerkelijke handhaving van de sancties waarin de milieuminister het wil zoeken. Een klassiek afstemmingsprobleem.

DE SKEPSIS van Alders en de zijnen snijdt op zichzelf hout. De hardheid van convenanten is tot dusver onduidelijk, evenals hun draagvlak (derden-belanghebbenden komen er slechts beperkt aan te pas) en de controle door de volksvertegenwoordiging is indirect. Er is meestal wel voorzien in evaluatie en overleg maar het toezicht op de naleving is zwak. Als 'overbruggingsmaatregel' heeft het convenant zeker zin, zei prof. Gilhuis eind 1988 in zijn Tilburgse oratie over het milieurecht op weg naar de jaren negentig. Tegelijk waarschuwde hij dat zo'n als tijdelijk bedoelde afspraak gauw meer definitieve regelgeving op de lange baan schuift.

Het is dan ook niet een kwestie van 'of-of', zoals Alders het nu een beetje voorstelt, maar van 'en-en'.

Milieuconvenanten hebben niet alleen zin als overbruggingsmaatregel, maar zeker ook als nadere aanvulling op regelgeving. Problematisch wordt het pas echt wanneer de overeenkomst dient als afkoop van noodzakelijke publieke normen. En zelfs dan kan een behoorlijke opstap beter zijn dan symboolwetgeving: 'regels die alleen bestaan op Haags papier', zoals een andere CDA-collega van Alders het onlangs in ander verband uitdrukte. Een convenant kan sneller tot stand komen dan een wet en - althans bij een overheidsbeleid dat de schijn van opportunisme weet te vermijden - net iets meer aantikken dan alleen het beroep op zelfregulering. Voor naiviteit is geen plaats, niet bij de overheid en trouwens ook niet bij het bedrijfsleven. Van beiden mag worden verwacht dat zij de afspraken aanscherpen. Maar het milieuconvenant afschrijven is het kind met het badwater weggooien. En dat is slecht voor het milieu - zowel natuurlijk als maatschappelijk.