De gold rush is begonnen

BOEDAPEST - Bij mooi weer en een voordelige lichtval is hier en daar nog wat van de oude pracht van Boedapest te vinden, maar in de hele binnenstad (van Pest) is geen enkele gevel meer over die na veertig jaar politiek wanbeheer en particuliere roekeloosheid van autorijdend Boedapest niet door en door geblakerd is. Alleen een Venetiaans reddingsplan van de Unesco kan deze stad nog voor de ondergang behoeden.

Als het regent en de lucht in de binnenstad vergeven is van de uitlaatgassen van tweetaktmotoren (en de stad niet door smog onzichtbaar is geworden), ziet de hoofdstad van Hongarije er deerniswekkend haveloos uit. De straten veranderen van het ene moment op het andere in een sloot doordat dakgoten het hebben begeven, afvoerpijpen zijn gescheurd en de riolering het aanbod niet aan kan. De fin de siecle-boulevards van Haussmann, die de architectuur van Boedapest ooit een Parijse gratie gaven, maken een vermoeide indruk en doen geen moeite meer hun achterstallig onderhoud van zeker veertig jaar te verbergen.

Het verval heeft niet alleen de huizen aangetast, maar ook de publieke domeinen waarover de Partij sedert 1948 heeft geheerst. De prachtigste publieke gebouwen die de stad rijk is, hebben zowel van buiten als van binnen in jaren geen kwast gehad en de loodgieter die de dakgoot zou repareren heeft er waarschijnlijk geen brood in gezien. Het communisme heeft in Hongarije al niet beter voor zijn nationale cultuurbezit gezorgd dan in de andere landen van het voormalige Oostblok (zie ook redacteur Henri Beunders in de krant van vorige week zaterdag). In Boedapest wordt de misere van het fysieke verval nog verdubbeld doordat de Lada's en Trabanten de voetganger een astma bezorgen zolang zij bewegen en hem het lopen onmogelijk maken zolang zij stilstaan. Hongaren parkeren niet alleen op de weg, maar ook op de trottoirs. Dat deden ze ook al voor de liberalisering. Ze zijn in hun verkeersanarchisme tenminste nog zo consequent dat ze zich zelfs in het hol van de leeuw niets van de overheid aantrekken en hun auto's ook op de stoepen van de overheidsgebouwen neerzetten. Wie daarover bij het ministerie van milieu zijn beklag wil doen, heeft er nog moeite genoeg mee te ontdekken dat er geen milieuministerie is. Ook dat geldt voor heel Oost-Europa. Overal hangt, zoals de Engelse Observer de afgelopen weken heeft gemeld, 'de dood in de lucht', maar nergens is daar al een begin van milieuwetgeving.

De Amerikaanse ambassadeur in Boedapest, Mark Palmer, vatte de verpauperde conditie van Boedapest veertien dagen geleden in een toespraak voor de Amerikaanse Kamer van Koophandel in Boedapest in een zin krachtig samen: 'The city is in disastrous shape'.

Zijn woorden bleken weliswaar minder door deernis dan door zakeninstinct te zijn ingegeven, maar dat deed aan de objectieve waarheid van zijn waarneming niets af. De Amerikaan had te doen met de Hongaren die hun stad naar de verdoemenis hadden zien gaan en in hun bestaan ook nog door een hoge inflatie werden geteisterd, maar voor institutionele beleggers die nu hun kans grepen, hield het verval van Boedapest 'onbegrensde mogelijkheden' in. Beleggers die er een neus voor hadden, zo luidde zijn boodschap, voelden nu aan hun water dat hier nog een hoop ongedolven goud in de grond zat. De 'gold rush' was wat hem betreft begonnen.

De klap op de vuurpijl die de 48-jarige Amerikaanse ambassadeur op dat kwieke toespraakje liet volgen was een markante illustratie van de gretigheid waarmee de curators van de failliete planeconomie de kwartiermakers van de door Thatcher geinspireerde markteconomie op het ogenblik binnenhalen. Palmer nam ontslag als ambassadeur onder gelijktijdige bekendmaking van zijn overstap naar de Middeneuropese Ontwikkelingsmaatschappij, een consortium van investeerders uit de VS, dat zijn eerste koop al had gesloten: voor $10 miljoen had het een belang in een Hongaarse bank genomen. Dat het State Department hem had gedwongen de volgende dag al zijn biezen te pakken (hoewel hij had aangeboden het ambassadeurschap er nog enige maanden bij te doen) deerde hem niet echt, want in zijn nieuwe bestaan was the sky the limit geworden.

Uit het gedrang van de Westerse institutionele beleggers voor de Hongaarse ministeries blijkt dat de 'gold rush' naar Boedapest al in volle gang is. Het meest courante aankoopadvies in de kring van beleggers in buitenlandse onroerend-goedprojecten is: 'Koop een kantoorgebouw in Boedapest'. Maar wat is kopen? Aspirant-kopers die met het chequeboek op het gebouw van hun keuze afgaan en snel zaken willen doen, zullen enige dagen langer in Boedapest moeten blijven dan ze zich hadden voorgenomen om vertrouwd te raken met de complexe eigendomsstructuren in een land waar het communisme weliswaar is afgedankt, maar het communistische rechtsbestel nog niet.

Wat in West-Europa in een handomdraai gebeurt (verkoop volgens een eenvoudige juridische procedure) blijkt in Oost-Europa ineens veel voeten in de aarde te hebben. Niet overal wordt, zoals een grote Nederlandse belegger tot zijn verbazing in Belgrado gewaar werd, de koop van een gebouw bezegeld met een eenvoudig briefje waarin de overheid verklaart de eigendom aan de koper te hebben overgedragen, maar veel scheelt het toch niet. De moeilijkheid is dat in Oost-Europa allerlei Westerse rechtsvoorzieningen ontbreken.

Waar geen verbintenissenrecht en geen Wetboek van Koophandel bestaan is het moeilijk gebouwen kopen. En die moeilijkheid wordt nog vergroot door de onzekerheid aan wie (in de meeste gevallen) de eigendom van grond en gebouwen behoort - de staat of de partij. Formeel is na het vervallen verklaren van het particuliere bezit de staat c.q. de gemeenschap eigenaar van de grond en van de overheidsgebouwen geworden. Maar bijna overal is de partij ermee op de loop gegaan dan wel heeft zich als de feitelijk eigenaar gedragen.

Er zijn (hetzij voormalige, hetzij nog dienstdoende) partijfunctionarissen die menen dat alleen de partij tot verkoop van grond en gebouwen bevoegd is, maar hoe kan een partij die officieel ontbonden is nog rechtshandelingen verrichten? In Oost-Europa worden voortdurend onderhandelingen gevoerd tussen aspirant-kopers en eigenaars, die rechtens geen eigenaars zijn. In hun geestdrift om met een schone lei te beginnen heeft geen van de communistische partijcongressen die de afgelopen maanden her en der de communistische partij uit de wereld hebben geholpen, zich van de juridische complicaties daarvan ook maar een ogenblik rekenschap gegeven.

    • H. A. van Wijnen