Afbraak van de akkerbouw leidt tot verpaupering in hetnoorden

GRONINGEN, 10 febr. - Op het vlakke Oldambster land, waar een 'belbus' buurtschappen als Hongerige Wolf en Kromme Elleboog met elkaar verbindt, heeft de zuidwesterstorm vrij spel. De rode pannendaken van verschillende boerenhoeven die verspreid staan in het uitgestrekte landschap, vertonen gaten waardoor de geraamten te zien zijn van generaties geleden opgebouwde rijkdom. Het lijkt wel alsof de natuur het werk wil afmaken waarmee minister Braks van landbouw enkele jaren geleden is begonnen: de afbraak van de akkerbouw in het noorden van het land.

Zo althans is op het Groningse platteland het 'bittere' oordeel over Braks' onwil om zich in Brussel te verzetten tegen verdergaandeprijsdalingen in de graansector. De Brabander Braks zou vooral oog hebben voor de belangen van de intensieve veehouderij in het zuiden van het land, die immers is gebaat bij lage veevoederprijzen. 'Braks heeft aan lage voerprijzen gedacht en dient daarom een groepsbelang. Hij wordt door ons niet meer gezien als een minister van landbouw. Dat zeggen de boeren hier tegen mij', vertelt drs. P. Lanting, hoofd van de sociaal economische voorlichtingsdienst van de Groninger Maatschappij van Landbouw. 'Persoonlijk vind ik: Braks moet erkennen dat de graanprijs te ver is gezakt. Hij had zich samen met Kiechle kunnen verzetten tegen prijsdalingen.'

Kiechle is Braks' Westduitse ambtgenoot.

In het begin van de jaren tachtig waren de Europese ministers van landbouw nog eensgezind in hun vrijgevigheid ten aanzien van de akkerbouw. Tussen 1979 en 1983 stegen de EG-graanprijzen nog met circa twintig procent. Maar onder de toenemende financiele druk van de overschotten, is sindsdien een kentering opgetreden in het Brusselse beleid. Kreeg de boer in 1983 nog f. 56,40 voor honderd kilo tarwe, nu moeten ze het doen met minder dan f. 41. Dat die prijsval vooral in het noorden van Groningen heeft geleid tot felle reacties en militante uitspraken is logisch. Het zware kleigebied dat grenst aan de Dollard is vrijwel uitsluitend geschikt voor de verbouw van granen; veel uitwijkmogelijkheden naar andere, financieel aantrekkelijker gewassen zijn er niet.

Met die onmogelijkheid om te ontsnappen aan de greep van het EG-graanbeleid wordt bijvoorbeeld Cors Onnes (34) uit Finsterwolde geconfronteerd. Samen met zijn vader (60) heeft hij een maatschap van 115 hectare. Bijna driekwart van het land is bebouwd met wintertarwe en gerst. Onder andere om de grond goed te houden en om de oogstwerkzaamheden te spreiden, verbouwt hij daarnaast luzerne en koolzaad. De opbrengst per hectare daarvan is nog lager dan de netto-opbrengst van tarwe.

Alleen suikerbieten geven op dit ogenblik een veel hogere financiele opbrengst. Maar Onnes heeft slechts zes hectare met dat gewas en kan het areaal ook niet uitbreiden door de quota van de EG. Volgens de econoom Lanting 'is sprake van een algemeen akkerbouwvraagstuk', Hij wijst op een stapel mappen waarin de bedrijfseconomische overzichten zijn verzameld van boerenbedrijven in Groningen die op vrijwillige basis meedoen aan de 'studieclubs' van de Groninger Maatschappij. De bedoeling is om de boeren beter inzicht te geven in het reilen en zeilen van hun eigen bedrijf in vergelijking met andere bedrijven en om zo hun bedrijfsvoering te verbeteren.

Lanting stelt dat bijvoorbeeld ook de akkerbouwers in Friesland en Groningen die wel pootaardappelen op hun grond kunnen verbouwen, zijn gecofronteerd met forse prijsdalingen op de vrije markt. Hetzelfde geldt voor de boeren in de Veenkolonie die aardappelen leveren aan de zetmeelindustrie Avebe.

Lanting: 'In heel het noorden, van Groningen en de Veenkolonien tot aan Overijssel toe, zit het structureel fout. Als daaraan niets gebeurt, als de graanprijs niet omhoog gaat, dan dreigt verpaupering.' Hoe structureel het met de akkerbouw fout zit, blijkt uit de cijfers van het Landbouw-economisch instutuut (LEI) in Den Haag. Volgens de representatieve steekproeven van het LEI boekten de grotere akkerbouwbedrijven in het noorden in het seizoen 1988/1989 een negatief bedrijfsresultaat van gemiddeld f. 58.000 per bedrijf. In het seizoen daarvoor was het gemiddelde verlies bijna f. 139.000. Dat is meer dan het dubbele van het verlies van f. 55.100 dat 'de gemiddelde boerderij' in Nederland (akkerbouw, melkvee en intensieve veehouderij samen) in het seizoen 1987/1988 leed. Het 'gemiddelde'boerenbedrijf in Nederland heeft trouwens de afgelopen twee decennia in geen enkel jaar winst geboekt, blijkt uit de overzichten van het LEI. Tegen die achtergrond is het een wonder dat er nog boerderijen zijn in Nederland. Maar het wonder is zeer wel te verklaren. De LEI maakt een bedrijfseconomische opstelling waarbij alle kosten 'objectief' zijn berekend. Zo zijn alle uren die een boer en zijn gezinsleden werken, vermenigvuldigd met het cao-loon van een arbeider en is het aldus verkregen bedrag opgevoerd als kostenpost. Hezelfde is gedaan met de grond waarvan de kosten zijn berekend op pachtbasis. Al het overige kapitaal in het bedrijf is gewaardeerd als vreemd vermogen dat bij de bank moet worden geleend.

Op die manier wordt het boerenbedrijf doorgelicht als ware het een industrieel bedrijf. Dat zo'n boekhouding een negatief bedrijfsresultaat oplevert, verklaart waarom de landbouw in Nederland en in de hele wereld wordt gedomineerd door zogeheten gezinsbedrijven. Juist doordat een boer een groot eigen vermogen in zijn bedrijf heeft zitten (gemiddeld circa 75 procent) en hij veel uren wil maken zonder zich te houden aan cao-bepalingen, heeft hij recht van leven.

Om de gang van zaken in een boerenbedrijf wat realistischer te beoordelen, wordt meestal gekeken naar de zogeheten arbeidsopbrengst. Dat is het saldo van bedrijfskosten en -opbrengsten waarbij aan de kostenkant het berekende cao-loon van de boer is geschrapt. Op die manier wordt duidelijk wat een boer in werkelijkheid krijgt voor zijn arbeid.

Die arbeidsopbrengsten varieren van jaar tot jaar sterk. Een gemiddelde akkerbouwer in het noorden (de aardappelverbouwers zijn hierin meegewogen) had in 1987 bijvoorbeeld een negatieve arbeidsopbrengst van f. 43.400 en zal dit jaar uitkomen op f. 40.000 positief. Die jaarlijkse verschillen hebben vooral te maken met de weersomstandigheden. Zo heeft de warme zomer van afgelopen jaar gezorgd voor overvloedige opbrengsten per hectare op de vochthoudende kleigrond van Oldambt. Die hebben het effect van de dalende graanprijzen verzacht wat missschien verklaart waarom harde acties van de Groningse akkerbouwers de afgelopen tijd nog zijn uitgebleven.

Maar ook per ondernemer varieren de bedrijfsresultaten in de akkerbouw erg sterk, de 'gemiddelde' boer is in werkelijkheid nergens te vinden. Factoren als de structuur van de grond en de kwaliteit van het ondernemersschap bepalen het bedrijfsresultaat.

Het daaruit resulterende inkomen van de boer is vervolgens ook sterk afhankelijk van de vermogensstructuur van de onderneming. Een bedrijf dat nagenoeg geheel uit eigen vermogen is gefinancierd, is in werkelijkheid veel minder kwijt aan rente en aflossingen dan de 'berekende' kosten waarvan het LEI uitgaat. Die 'besparingen', opgeteld bij de arbeidsopbrengst, bepalen in de bedrijfseconomische opzet van het LEI het 'ondernemersinkomen' van de boer.

Voor een jonge akkerbouwer als Cors Onnes is de 'arbeidsopbrengst' - de afgelopen jaren gemiddeld f. 22.000 - in feite het enige bestanddeel van zijn ondernemersinkomen. Toen hij vijf jaar geleden toetrad tot de maatschap van zijn vader, begon het juist bergafwaarts te gaan met de graanprijzen. Daardoor is hij nog niet in staat geweest om zijn 'eigen vermogen' in de boerderij te vergroten en daarmee een buffer te creeeren voor slechte tijden. In tegendeel, zijn gezinsuitgaven zijn de afgelopen jaren hoger geweest dan zijn 'arbeidsopbrengst'. Enerzijds werd dat gecompenseerd doordat zijn vrouw anderhalve dag in week als kleuterleidser werkt en daarmee voor een aanvullendgezinsinkomen zorgt. Anderzijds heeft Onnes volgens de maatstaven van het LEI de afgelopen twee boekjaren ongeveer 17.000 ingeteerd op het eigen vermogen.

In de praktijk gebeurt dat onder andere door investeringen uit te stellen. De laatste grote investering betrof een combine die twee jaar geleden op de zondag voor het afschaffen van de WIR werd besteld. 'Je probeert vooral te besparen op je machinerie en ook op de bemesting van het land. Op die manier probeer je het uit te zingen tot er betere tijden komen.' Voor landbouweconomen als Lanting zijn de cijfers over de besparingen ter versterking van het eigen vermogen de graadmeter voor de finaciele gezondheid van de akkerbouw. Uit die cijfers blijkt dat de akkerbouwbedrijven in het noorden tussen 1984 en 1988 gemiddeld f. 171.000 zijn ingeteerd. Vorig jaar was daarentegen volgens voorlopige cijfers in de noordelijke akkerbouw sprake van een gemiddelde bedrijfsreservering van f. 35.000, dank zij de goede oogst en ondanks de dalende graanprijs.

Lanting laat zich echter niet van de wijs brengen door deze uitschieter. 'Je moet het over een reeks van jaren bekijken. Ik zie dat steeds meer bedrijven in grote financiele moeilijkheden komen.' Sommige boeren 'eten hun eigen bedrijf op' door in een slecht jaar naar de bank te stappen voor een aanvullende hypotheek, waardoor ze in feite in een neerwaartse spiraal terechtkomen omdat ze hun jaarlijkse lasten verhogen. Anderen stellen, zoals Onnes, (vervangings)investeringen uit en laten het onderhoud versloffen. Of ze proberen buiten het boerenbedrijf werk te zoeken voor zichzelf of voor gezinsleden. Op die manier kunnen ook de financieel ongezonde bedrijven het nog lange tijd uitzingen.

Lanting: 'Er is natuurlijk een grote emotionele betrokkenheid. En wat is het alternatief: de bijstand.'

'We moeten wachten totdat Braks weg is', zegt Onnes.

    • Wim Brummelman