Werkgevers negeren kansarme groepen

DEN HAAG, 9 febr. - De meeste werkgevers trekken zich nauwelijks iets aan van cao-verplichtingen om kansarme groepen aan werk te helpen. Dit blijkt uit een onderzoek van de Loontechnische Dienst (LTD). De LTD heeft het onderzoek verricht op verzoek van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Het ministerie wilde een beeld hebben in hoeverre bedrijven zich ook werkelijk houden aan de verplichtingen die ze in cao's aangaan ten opzichte van etnische minderheden, langdurig werklozen en jongeren.

Voor het kabinet zijn dergelijke afspraken van groot belang. Een van de hoofdpunten in het beleid de komende jaren is immers terugdringing van de langdurige werkloosheid. Daarbij wordt een zware wissel getrokken op de samenwerking tussen sociale partners, die in goed overleg - zowel op centraal als decentraal niveau - zo veel mogelijk kansarmen weer aan de slag moeten zien te krijgen.

Begin december kwamen werkgevers en werknemers dan ook trots uit hun jaarlijkse gezamenlijk overleg, waar zij afspraken maken over het te voeren sociaal-economisch beleid. Men was het onder andere eens geworden over het verhogen van de inspanningen om langdurig werklozen, etnische minderheden en jongeren aan het werk te helpen. De partijen deden 'een beroep op alle betrokken partijen op het decentrale niveau een substantiele bijdrage te leveren aan het verschaffen van betere perspectieven op werk', aldus de gezamenlijke verklaring.

Zij stelden wel vast dat de inzet 'ambitieus' was. De resultaten van het onderzoek van de Loontechnische Dienst zouden wel eens kunnen aangeven dat de inzet zelfs te ambitieus is geweest. Blijkbaar zit er niet alleen enige ruimte tussen overeenkomsten op centraal en decentraal niveau, maar ook tussen afspraken op decentraal niveau en de uitvoering daarvan in de praktijk.

Van de bedrijven die in de cao afspraken hebben gemaakt over het in dienst nemen van etnische minderheden, blijkt in de praktijk slechts 11,5 procent zich actief daarvoor in te zetten. Meestal gaat het daarbij om scholing. Nog eens 5,5 procent neemt een afwachtende houding aan, maar distantieert zich niet helemaal van de verplichtingen: als iemand uit een ethnische minderheid solliciteert, zijn ze wel bereid te bezien of deze de voorkeur kan krijgen. Maar de meesten zullen alleen bij gelijke geschiktheid ook werkelijk tot actie overgaan.

Voor langdurig werklozen zet slechts 8,7 procent van de bedrijven die daartoe verplicht is, zich actief in. Ongeveer 16 procent stelt zich passief op, en reageert alleen na sollicitatie op initiatief van de werkloze. Bij jongeren ligt het allemaal iets gunstiger, met respectievelijk 24,3 en 12,8 procent.

De Loontechnische Dienst wijst erop dat de afspraken in de cao's over doelgroepen ook vaak erg vaag zijn. In de cao voor de confectie-industrie bijvoorbeeld staat dat er een beleid zal worden ontwikkeld 'ter bevordering van de werkgelegenheid voor moeilijk plaatsbare groepen, zoals - onder andere - etnische minderheden'.

Slechts een procent van de betreffende bedrijven blijkt in de praktijk iets voor etnische minderheden te doen. Ook voor jongeren en langdurig werklozen komt men vaak niet verder dan 'op te starten projecten' of dat ze 'speciale aandacht' dienen te krijgen.

In veel gevallen voeren werkgevers als excuus voor hun geringe inzet aan dat zij geen vacatures hebben gehad, of slechts moeilijk vervulbare vacatures hadden waarvoor de kansarme groepen niet in aanmerking kwamen. Het eerste geldt vooral voor kleine bedrijven, het laatste vooral in de metaalindustrie. Dat neemt echter niet weg dat goed ogende afspraken in de praktijk fors kunnen tegenvallen. Minister De Vries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zegt in zijn brief aan de Tweede Kamer dan ook, dat als dit zo doorgaat maatregelen moeten worden getroffen. Hij laat in het midden welke dat zouden moeten zijn. In het verleden heeft de vakbeweging vaak gesproken over sancties voor werkgevers, net zoals voor onwillige werklozen gelden.