J. A. Sandfort 1893-1959

De nalatenschap van de vertaler Joop Sandfort is een goudmijn voor wie de geschiedenis van het vertalen in Nederland wil beschrijven. Een houten kist en een reiskoffer vol brieven, concept-brieven, knipsels, aantekeningen en onuitgegeven vertalingen. Voor Sandfort zelf zullen de papieren vooral aan teleurstellingen hebben herinnerd. Uit de meeste stukken rijst het beeld op van een literaire martelaar, die een hopeloze strijd voor het goede boek voert en snakt naar verlossing. Toch is het eenzijdig om Sandfort alleen maar af te beelden als martelaar voor het literaire vertalen. Een dergelijke voorstelling is ook te religieus voor een man die, door een traumatisch verblijf op een broederschool getekend, zijn sarcasme juist op de godsdienst richtte.

Toen Johan Huizinga hem in een van zijn brieven schreef dat de kerkramen van Auxerre hem een religieus gevoel hadden gegeven, putte Sandfort in zijn antwoord uit zijn vele slechte herinneringen aan de kerkgang en de katholieke lagere school. Later zou Sandfort zijn ervaringen op deze school vastleggen in een niet uitgegeven autobiografisch fragment, met een schokkende beschrijving van grijpgrage broeders en een in tedere onhandigheid beschreven liefde voor jonge jongens. In de jaren waarin Sandfort werkte aan de vertaling van Rabelais, woonde hij in Hilversum op kamers bij een jonge weduwe. Deze vrouw heeft zich over hem ontfermd en hem zo goed en zo kwaad als het ging behoed voor een al te diepe val. Wie zijn minutieus bijgehouden kasboekjes uit die tijd ziet, met ontroerend kleine uitgaven zoals die voor een gevulde koek, raakt overtuigd van de afhankelijkheid en de behoeftigheid van Sandfort. Ziekten hielden hem in deze jaren in hun greep en steeds meer werd hij gekweld door depressies - zelf sprak hij openhartig over krankzinnigheid. Zijn vertaling van Rabelais leverde hij vel voor vel in bij de Larense uitgeverij Schoonderbeek, die hem ter plekke een gulden per ingeleverd vel gaf. In 1930 vroeg hij aan de Gemeentelijke Dienst voor Hulpbetoon in Hilversum een voorschot, waarbij zijn Rabelais-vertaling in wording als borg diende. Nog in 1937 was Sandfort bezig met het afbetalen van zijn schuld.

Na Rabelais en Celine publiceerde Sandfort vertalingen van Priestley, Montesquieu, Prevost, Lawrence, Casanova, Gide, Duhamel, Gorki, Caldwell en Yourcenar. Maar kassuccessen bleven uit en de afwijzingen, altijd kortaf, soms honend, hoopten zich op. Opdrachten gingen nu aan zijn neus voorbij, en op den duur werd hij alleen nog voor hoorspelen en de romans van Boek en Wereld goed genoeg geacht.

De indruk dat Sandforts leven een aaneenschakeling van onfortuinlijkheden was, is bedriegijk. In dat opzicht levert de nalatenschap een eenzijdig beeld op. Sommige van zijn ondernemingen kenden immers wel degelijk succes. De vertalingen die hij wel uitgegeven kreeg gaven hem in kringen van vertalers de status van primus inter pares. Hoewel zij zeker niet foutloos zijn, worden aan Sandfort met recht geniale en bijna profetische gaven toegeschreven.