Het toversteentje

Toen ik vier was vond ik in Valkenburg een toversteentje.

Misschien zul je nu vragen: Pas vier? Een jongen van vier? Is dat niet een beetje jong voor een toversteentje? En hoe wist je zo precies dat het een toversteentje was? Twee doodgemakkelijke vragen.

Een kind is nooit te jong om een toversteentje te vinden. Het kan er wel te oud voor worden. Wie na zijn twaalfde verjaardag nog geen toversteentje heeft gevonden kan de moed wel opgeven. Maar als een meisje of een jongen er daarvoor al een op zak heeft kan er niets meer gebeuren. En hoe ik meteen wist dat het een toversteentje was? Omdat ik het zag natuurlijk! Het was een flink, glanzend steentje waarvan je niet kon begrijpen dat het tussen al die andere stomme, grijze, doffe stenen terecht was gekomen. Een prachtig steentje waardoor ik betoverd werd voor ik het wist. Zo komt het dat ik het zonder verder nadenken in m'n zak heb gestopt.

En wat gebeurde er toen? Ik heb tegen niemand verteld dat ik een toversteentje had gevonden. Ik heb het mee naar huis genomen en als ik naar bed was gebracht en iedereen dacht dat ik rustig sliep, dan stond ik op, haalde het toversteentje tevoorschijn, keek ernaar en wreef erover.

En ging je dan toveren? Wat toverde je dan? Dat is opeens een lastige vraag. Met zo'n steentje kun je niet zomaar toveren. Het is een toversteen omdat je er eerst zelf door wordt betoverd. Als het eenmaal zover is, ja, dan kan je praktisch alles - op z'n tijd natuurlijk.

Wat dan bijvoorbeeld? Je moet eerst examen doen. Als je opeens merkt dat je een gat in de lucht hebt gesprongen ben je geslaagd. Daarna kun je eens proberen een berg te verzetten of een omgewaaide boom overeind te blazen of door het vuur te gaan of het stof uit de woestijn te wassen.

Maar als je nou eens zakt voor je examen? Wat dan? Je bedoelt dat het wel een toversteen is maar dat die je niet wil laten toveren? Dan ziet het er niet goed voor je uit. Het blijft wel een toversteen maar die tovert dan de andere kant op. Dat weet niet iedereen maar er kan vooruit en achteruit worden getoverd.

Niet opzij? Dat zou je misschien wel willen. Nee, nooit. Maar als er dan achteruit wordt getoverd? Dan kan er van alles gebeuren. Er komen honderduizend mieren in je hoofd wonen, onzichtbare bloedzuigers in je oren en garnalen in je slagaderen en je breekt je rug als je een pluisje wilt oprapen.

Is het dan niet beter zo'n toversteen te laten liggen? Misschien is het wel verstandiger maar niet beter.

Heb jij dat toversteentje nog dat je toen hebt gevonden? Mag ik het eens zien? Nee. Ik heb het niet meer. Toen ik er even niet oplette is het bij me weggegaan. Kijk: daar gaat het om in dit verhaaltje. Op een toversteentje moet je altijd blijven letten want anders komt er een ogenblik waarop je het nooit meer zult kunnen vinden. En je mag het ook nooit aan iemand anders laten zien. H. J. A. HOFLAND