De schrijvende president (II)

In 1986 kreeg Vaclav Havel de Erasmusprijs. De rede die hij toen op 13 november in Rotterdam liet uitspreken (hij wilde zelf zijn land niet uit omdat hij bang was dat hij er niet meer zou worden ingelaten) bevat een passage die me bij herlezing precies zo treft als vier jaar geleden. Hij beroept zich op De lof der zotheid en zegt dan: 'Trouwens, bekroont u hier vandaag eigenlijk niet een zot? En via hem tientallen, honderden andere zotten die door hun eenzame roep om verandering van het onveranderlijke bereid zijn jarenlange gevangenschap te riskeren en - tamelijk zot - tegenover de gigantische macht van de staatsbureaucratie en politie de nietige macht stellen van hun schrijfmachine?'Intussen hebben de schrijfmachines in het Oosten het gewonnen. We kunnen niet zeggen dat wij ze er toen dapper bij hebben geholpen. Je staat verstomd bij het raadplegen van het archief: over de zorgzaamheid van de minister, hoe hij in Havels tekst laat knoeien om de staatkundige ongereptheid van de koningin te bewaren. Zelfs nadat er een paar maanden eerder al tumult was ontstaan over geheimzinnige veranderingen die daardoor weer ongedaan werden gemaakt, bleek op de dag van de plechtigheid de tekst van de vertaling niet met het Tsjechische origineel te kloppen. Havels uitdrukkelijke verwijzing naar Charta 77 was eruit gehaald. Badend in het zweet zou de bewindsman daarom nog iedere ochtend moeten wakker worden.

Ouwe koeien, zult u zeggen. Ze zijn daar vrij; dus wat zeur je nog. Over twee dingen.

Een maand had ik in het Wilde Oosten rondgereisd, een bewegend niemandsland waar de nietige machten van de schrijfmachines nog iedere dag in gevecht zijn met de golem van de bureaucratie die wraak neemt door de chaos op te roepen. Ik kan niet zeggen dat ik me er heb verveeld en dat doen zij ook niet. Je hoort er niemand zich beklagen omdat er te weinig werk aan de winkel is of omdat hij niet het antwoord kan vinden op de vraag of hij wel de juiste man op de juiste plaats is. Ik had Fukuyama's theorie over het einde van de geschiedenis meegenomen aan het slot waarvan hij schrijft dat er 'een zeer trieste tijd is aangebroken' omdat niemand zijn leven meer zal wagen voor een abstract ideaal. Ook had ik nog het vervolg daarop bij me waarin hij er zich over beklaagt dat hij verkeerd is begrepen. Verder het essay van de geheimzinnige, wijze 'Z' die bewijst dat we Gorbatsjov niet moeten helpen omdat hij een verloren zaak is. In de trein en op andere rustige plaatsen wilde ik het allemaal nog eens bestuderen, maar in de permanente turbulentie van al die eindes-in-de-praktijk is er niets van gekomen.

Terug in Nederland: de nationale intelligentsia was in burgeroorlog geraakt over de vraag wie er goed of fout was geweest na 1945. Voor zover ik dat uit de krant heb kunnen begrijpen, was het een debat tussen versimpelde geesten die de kans zagen om vergeelde rekeningen te vereffenen. Ieder land heeft zijn eigen continuiteit. De strijd over goed en fout in de bezetting verandert ongemerkt in die over goed en fout in de koude oorlog zonder dat het gedruis verschilt. Nederlands manicheisme heeft Hubert Smeets het in deze krant (29.1.90) genoemd. Heel goed! Het manicheisme dat ons in staat stelt, een oorlog in een burenruzie om te zetten en daarbij de dorpse hooghartigheid te bewaren waardoor we desnoods de hele wereld in de zak kunnen steken, dat wil zeggen als we Ter Braak maar onder de knie hebben.

Zo'n thuiskomst heeft een vervreemdende uitwerking - hoe zal ik het zeggen: alsof je in een stuk van een rustieke Arrabal of Ionesco bent geparachuteerd. Maar wat is het uitgangspunt? De schrijvende president, de schrijver en de politiek. Al jaren lezen we de boeken van Havel, Kundera, Konrad, Brodsky, Dinescu, die ons aan het verstand proberen te brengen, welke krankzinnigheid daar tot normaal systeem is bevorderd. We geven ze prijzen en we zien niet eens meer de collectie van krankzinnigheden in ons eigen systeem. Het is erger: we laten de andere helft van de wereld aan zijn lot over nadat we, zonder nader onderzoek, ons eigen systeem van de liberale democratie als voorbeeld voor de rest hebben gesteld en zelfs tot het einde van de geschiedenis hebben laten uitroepen.

Dit had een logisch betoogje moeten zijn; het is een ontboezeming geworden, van het soort waar ik een hekel aan heb. Ik geef mezelf de schuld: ik heb nog niet genoeg weerstand opgebouwd tegen uw onzin.

    • H. J. A. Hofland