Chailly stuwt peil en plezier van avond in C-serie op

Liberman en Jaap van Zweden (viool), Ronald Brautigam (toetsinstrumenten), Araxia Davtian (sopraan) en Willard White (bas). Programma: I. Strawinsky: Dumbarton Oaks; A. Schnittke: Concerto Grosso III; D. Sjostakovitsj: Veertiende symfonie. Gehoord: 8/2 Concertgebouw Amsterdam. Herhaling aldaar: 10/2 15 uur Varamatinee. Radio-uitz.: 12/2 20.00 uur Vara Radio 4. Alsof het een gewoon concert betrof, zat gisteravond bij de moderne C-serie van het Concertgebouworkest de Grote Zaal van het Amsterdamse Concertgebouw vol. En het enthousiasme over deze schitterende en indrukwekkende avond was enorm. Onder leiding van Riccardo Chailly bereikten concentratie en uitvoeringsniveau de hoogste top in dit concert, dat zaterdag nog wordt herhaald in de Varamatinee en aanstaande maandag via de radio is te beluisteren.

Dumbarton Oaks stond al vier keer eerder op het programma, maar Schnittke's Concerto Grosso III was een echte premiere voor het orkest, met de concertmeesters Viktor Liberman en Jaap van Zweden als gedreven en superieur spelende solisten, geassisteerd door Ronald Brautigam, die heen en weer schoof tussen klavecimbel, piano en celesta. Concerto Grosso III is een reflectie op de vorm en de stijl van de kamermuziek door de eeuwen heen. Het is een soort boze droom, die wordt ingeluid met een stukje 'echte' Bach, dat op hallucinerende wijze wordt ontregeld, uiteengerafeld en uiteindelijk tot stilstand komt. Wat volgt is een spannende rondgang langs de paleizen en kastelen van de muziekhistorie, die hier plotseling ruines lijken. Het klinkt - met die eenzame klavecimbelnootjes - als een unheimische tocht door verlaten en verboden gebied, Van Zweden meestal net een half stapje voor op Liberman. Onverschrokken wordt ondertussen van brokstukken en losse elementen een nieuw en surrealistisch bouwwerk in elkaar gezet. Maar hoe onmogelijk ook, de herkenbaarheid van het nieuwe blijft dankzij Schnittke altijd intact. Hij zorgt voor speelvreugde bij virtuoze violisten en voor luistergenot bij het publiek, visueel versterkt door de soms komische afwisseling in synchrone en asynchrone beweging van Van Zweden en Liberman.

Van geheel andere orde is Sjostakovitsj' Veertiende symfonie (1969), een liederencyclus voor sopraan en bas over de dood op teksten van Lorca, Kuchelbecher, Rilke en (vooral) Apollinaire. Het is een hoogtepunt van Sjostakovitsj' late periode, waarbij uiterlijke exuberantie plaats maakte voor de verinnerlijking en verstilling, zoals die zou uitmonden in de Sonate voor altviool en piano. Het aangrijpende ligt vooral in de beheersing en het ingehoudene: de dood wordt in muziek en uitvoering (meer dan voortreffelijk met Araxia Davtian en Willard White, als invaller voor de zieke Artur Eisen) niet als zodanig uitgebeeld, maar de immer onontkoombare dreigende aanwezigheid wordt voelbaar gemaakt. In de woorden van Rilke: 'Als wij ons midden in het leven wanen, durft hij te huilen, midden in ons.'