Verdeelde W-Duitse reacties op besluit van regering-Kohl

BONN, 8 febr. - Het oordeel binnen de Bondsrepubliek over een snelle Duitse monetaire unie is zeer gemengd. Gisteren al hebben economische deskundigen gewaarschuwd voor grote risico's. Anderen daarentegen zien goede perspectieven op voorwaarde dat de DDR-planeconomie zonder uitstel in een sociale markteconomie wordt veranderd. Dan is er op redelijk korte termijn, namelijk binnen enkele jaren, zelfs kans op een tweede Duits Wirtschaftswunder. Dit laatste zeiden gisteren niet alleen de Westduitse ministers Waigel (CSU, financien) en Haussmann (FDP, economische zaken) maar zelfs ook Karl Otto Pohl, de eerder jegens een monetaire unie gereserveerde president van de Bundesbank in Frankfurt. Haussmann: 'De DDR heeft de beste economische vooruitzichten in Oost-Europa, haar bevolking is goed opgeleid en gemotiveerd, de Bondsrepubliek heeft de kennis en het Westduitse bedrijfsleven het kapitaal dat nodig is.'

Maar er klonken gisteren direct ook al pessimistische geluiden. Een geforceerde sanering en liberalisering van het geldwezen en de economie van de DDR zou zeer hard kunnen aankomen voor de 'volkseigen' bedrijven en Kombinate. Een snelle stijging van het aantal werklozen, in de somberste scenario's tot 1,4 miljoen, zou de sociale zekerheid in de DDR gaan overbelasten en de Bondsrepubliek op een rekening van circa tien miljard D-mark kunnen komen te staan.

Bovendien: als de D-mark en de Ostmark in de DDR in een vaste koersverhouding, zeg van 1-2, zouden worden gebracht is de Oostduitse AOW (nu 500 Ostmark per maand) op slag totaal onvoldoende. Dit zou te sterker gelden naarmate subsidies worden afgeschaft en de prijzen van consumptiegoederen worden vrijgelaten. Ook daar wordt pessimistisch voor een miljardenrekening voor Bonn gewaarschuwd. Namens het Westberlijnse instituut voor economisch onderzoek (DIW) waarschuwde prof. Lutz Hoffman direct gisteravond al voor dergelijke gevolgen van de nu aan de DDR aangeboden snelle monetaire unie. Die dreigt een land zonder industriele managers, een noodlijdende economie, een verouderd produktie-apparaat en een gedecimeerde beroepsbevolking op slag in harde concurrentieverhoudingen op de open wereldmarkt te brengen. Hoffman vreest daarvan 'catastrofale gevolgen', onder anderen massale bedrijfssluitingen en dito werkloosheid, en degratie van een groot deel van de DDR-burgers tot uitkeringstrekkers.

Bovendien, zo vroeg Hoffman zich gisteravond in een televisie- interview af, is het de vraag of lonen en koopkracht in de DDR (en dus ook de bedrijfskosten) niet snel omhoog moeten. En, vervolgde hij min of meer retorisch, zou het Westduitse bedrijfsleven dan nog zo gretig zijn om in die onttakelde DDR-economie te investeren? Veel beter zou het zijns inziens zijn als de D-mark niet snel de Ostmark feitelijk verdringt maar voor een behoorlijke tijd een vaste wisselkoers wordt afgesproken die rekening houdt met de grote economische krachtsverschillen tussen de beide Duitslanden. Hoffmans pessimisme wordt gedeeld door de voorzitter van de Westduitse bond van spaarbanken, Geiger. Dat pessimisme is overigens gebaseerd op scenario's die nog geenszins vaststaan. Invoering van een Duitse monetaire unie zou, ruwweg, op twee manieren kunnen geschieden: 1) conform de voorkeur van Hoffman, namelijk bij een door de beide Duitse regeringen afgesproken vaste koersverhouding tussen D-mark en Ostmark, die rekening houdt met de zeker aanvankelijk grote economische niveauverschillen; 2) de D-mark wordt in de DDR direct of spoedig het enige betaalmiddel. Dan zou bijvoorbeeld de huidige Oostduitse contante geldcirculatie (15 miljard) en het particuliere spaartegoed (150 miljoen) volgens een bepaalde koers gedepricieerd moeten worden en omgewisseld in D-marken, die de Bundesbank extra zou moeten drukken.