Belangstelling beurzen VS is ondanks '1992' enorm

ROTTERDAM, 8 febr. - Journalistiek Nederland kan nog veel plezier beleven van het zakenechtpaar Wilhelmina en Leendert Reuvers.

Dat schonk enige tijd geleden vijfhonderdduizend dollar aan de Netherland American Foundation in New York, een organisatie voor culturele banden tussen Nederland en de Verenigde Staten. Uit het nieuwe 'Reuvers Fellowship' kunnen per jaar drie of vier Nederlanders een beurs krijgen van zo'n tienduizend dollar om aan een Amerikaanse universiteit hun kennis van de journalistiek of de bedrijfskunde bij te spijkeren. Voorwaarden: een diploma van een universiteit of hogeschool en een 'excellente beroepsuitoefening'. De gift van het echtpaar, beiden Amerikaan geworden Nederlanders, is een welkome uitbreiding van het beurzenprogramma, zegt J. G. F. Veldhuis, voorzitter van de Netherlands American Commission for Educational Exchange, die de werving voor het Fellowship regelt. De belangstelling voor een studiebeurs naar de VS is nog steeds gigantisch, het aantal aanvragen overtreft verre het aantal beurzen. Dat heeft volgens Veldhuis het voordeel dat 'je natuurlijk goed kunt selecteren'.

Maar er moeten nu jammer genoeg ook veel geschikte kandidaten teleurgesteld worden, zegt hij. De toenemende aandacht voor Europa in het onderwijs heeft volgens Veldhuis, tevens voorzitter van het college van bestuur van de Rijksuniversiteit Utrecht, tot dusver geen invloed gehad op de belangstelling van studenten voor de Verenigde Staten. Hij verwacht dat die belangstelling wel op peil zal blijven, ook al ziet hij in de nabije toekomst 'enorme aantallen studenten door Europa trekken om in een ander land onderwijs te volgen'.

De Netherlands American Commission verzorgt ook de Nederlandse deelname aan het Fulbright-beurzenprogramma, voortgekomen uit de Fulbright Act van 1946. De Amerikaanse senator J. William Fulbright nam destijds het initiatief voor een grootschalig educatief uitwisselingsprogramma tussen de Verenigde Staten en andere landen. De beurzen moesten opgebracht worden uit de verkoop van overtollig geworden oorlogsmaterieel. Het Fulbright-programma werd een doorslaand succes: jaarlijks reizen nu bijna honderdduizend scholieren, studenten, leraren en onderzoekers naar de Verenigde Staten om daar voor een periode van drie tot twaalf maanden onderwijs te volgen, voor de klas te staan of onderzoek te doen.

Ongeveer zoveel Amerikanen komen naar de inmiddels 120 landen die bij het Fulbright-programma zijn aangesloten. Nederland neemt in dit internationale verkeer een bescheiden plaats in: uit ons land vertrekken jaarlijks circa vijftig 'Fulbrighters'. Sinds het begin van de jaren zeventig steken de Amerikaanse en de Nederlandse overheid ongeveer evenveel geld in het programma.

Dit jaar trekken beide landen er samen zo'n 800.000 dollar voor uit, waarvan 350.000 opgebracht worden door de VS. Het verschil is volgens Veldhuis het gevolg van de lage dollarkoers. Na de sterke groei van het uitwisselingsprogramma in de afgelopen jaren zullen de twee regeringen er de komende jaren niet nog meer geld in steken, verwacht Veldhuis. Zijn commissie, die behalve het Fulbright-programma en het Reuvers Fellowship nog een aantal andere Amerikaanse beurzenprogramma's beheert, begint daarom binnenkort zelf met het werven van fondsen. Onderdeel daarvan vormt de oprichting van een vereniging van de inmiddels ruim tweeduizend Nederlandse 'Fulbrighters'. Het huidige programma van de Netherlands American Commission biedt zeer uiteenlopende beurzen, van het met 35.000 dollar gedoteerde prestigieuze Grotius Fellowship voor een hoogleraar in de alfa- of gamma-wetenschappen tot een beurs van 1.800 dollar (reiskosten voor eigen rekening) voor een zomercursus over het onderwijs in een multiculturele samenleving aan de Universiteit van New York. Bij de beurzen staan drie selectiecriteria voorop. Of het nu om hoogleraren of scholieren gaat, ze moeten topprestaties hebben geleverd, het vertrouwen wekken dat ze overzee goed kunnen meekomen, en ze moeten een 'waardige representant' van Nederland zijn. Dat geldt ook voor de zes tot zeven eerstegraads leraren in het voortgezet onderwijs die sinds 1986 een jaar in de Verenigde Staten les kunnen geven, volgens Veldhuis een zeer succesvol onderdeel van het programma. De leraren ruilen met een Amerikaanse collega die naar Nederland komt (en hier in het Engels mag doceren). Veldhuis: 'Die Amerikaanse docenten valt hier altijd hetzelfde op. Het hoge niveau van het voortgezet onderwijs, de pittige werkweek van de docent, maar ook het ontbreken van een sociaal leven op school. Niks geen sport of kunst, zoals ze in de VS gewend zijn - na de lessen verdwijnt iedereen onmiddellijk naar huis. Daar staat tegenover dat ze verrast zijn door het sociale buurtleven: dat kennen zij weer niet.'

Meestal ruilen de Nederlandse en Amerikaanse leraren niet alleen tijdelijk van baan, maar ook, doorgaans met gesloten beurzen, van huis. Veldhuis: ' Soms geldt dat ook voor het gebruik van de auto. Maar daar wij zijn geen voorstander van. Dat levert vaak gedonder op.'