Verdienste van de WRR

HEEFT DE Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) nog toekomst? Volgens ingewijden is die vraag de afgelopen weken in het kabinet niet aan de orde geweest toen moest worden beslist over de opvolging van de huidige voorzitter, prof. dr. W. Albeda, door topambtenaar prof. dr. F. Rutten. Toch is deze voorzitterswisseling bij uitstek de gelegenheid om stil te staan bij doel en nut van de raad. De functie van denktank die in een vroeg stadium intellectuele discussies binnen de regering op gang zou moeten brengen, heeft de WRR maar ten dele gehad. Dat is jammer, maar het ligt niet uitsluitend aan de WRR. Politici voelen zich beter op hun gemak in concrete dan in theoretische discussies. Bepaalde situaties vergen een liefst snelle oplossing.

Vandaar dat kabinetten - evenals trouwens de betrokkenen bij een kabinetsformatie - eerder het Centraal Planbureau en het Sociaal en Cultureel Planbureau consulteren dan de WRR. HET ZOU anders moeten zijn, maar de combinatie van wetenschap met beleid is per definitie een aanpak van langere adem. Dat is een beperking van de rechtstreekse invloed van de WRR. Op zichzelf waardevolle adviezen verdwijnen soms in lades, omdat ze worden uitgebracht op een moment dat de politieke discussie over het betrokken beleid al volop gaande is en politici die rijdende trein niet willen stilzetten of van richting doen veranderen. Het duidelijkste voorbeeld is het onder het eerste kabinet-Lubbers uitgebrachte WRR-advies over een nieuw stelsel van sociale zekerheid op lange termijn. Het kabinet had op korte termijn uitzicht nodig op besparingen op de sociale zekerheid en veegde het WRR-plan van tafel. Er zijn ook voorbeelden van WRR-adviezen die op het juiste moment werden uitgebracht en onweerlegbaar grote invloed hebben gehad. Plaats en Toekomst van de Nederlandse Industrie gaf begin jaren tachtig mede de stoot tot het economisch herstelbeleid. Rapporten over de Basisvorming in het Onderwijs en het Activerend Arbeidsmarktbeleid hebben tot veel maatschappelijke en politieke discussie geleid, waarvan de sporen in het beleid te vinden zijn.

Recent heeft het advies voor het Allochtonenbeleid veel losgemaakt. Dat neemt niet weg dat juist een van de hoofdtaken van de WRR - het ontwikkelen van een wetenschappelijk gefundeerd kader dat de regering ten dienste staat voor het stellen van prioriteiten en het voeren van een samenhangend beleid - nooit goed uit de verf is gekomen. Het accent ligt op rapporten die een beperkt onderdeel van het beleid bestrijken.

TOEN DE WRR werd opgericht gebeurde dat in de bedding van een 'maakbare samenleving'. De toegepaste wetenschap zou het instrumentarium moeten leveren aan politici om de besturingscomputer te bedienen. Dit is een fictie gebleken. Curieus genoeg heeft de WRR zich temidden van de vele advies- en denkorganen toch een interessante plaats weten te verwerven en als er in deze sector al ruimte tot besparing is dan gaan de gedachten niet meteen uit naar de WRR. Dat is een verdienste.