Twee soorten bevrijding

Kan het Westen zich bij enige benadering van de werkelijkheid een voorstelling maken van wat er in het Oosten gebeurt? Dat is geen 'idealistische' vraag, geen inleiding tot een schrijnende beschrijving die ertoe dient om de westerling weer een duit in de collectebus te laten doen. Natuurlijk: de nood moet gelenigd.

In het Westen hebben tientallen nuttige gezelschappen er hun bestaansrecht op gebouwd. Ze krijgen hun aandacht in de media en halen een recordbedrag op dat naar Roemenie, de Sahel, Polen of Bangladesh gaat. Als in een verder verwijderd land diepe armoede geen bedreiging voor vrede en veiligheid is, neemt de liefdadigheid vanzelf de functie van de politiek over. Die toestand heeft in Westerse ogen zich in de voormalige socialistische wereld niet ontwikkeld - het politieke drama is er nog 'interessanter' - maar de charitas dringt op ten koste van de politiek. Dat doet afbreuk aan het Westers voorstellingsvermogen. Aan deze kant van de wereld worden de omwentelingen van 1989 in politiek opzicht gezien als een bevrijding. Die naam verdienen ze dan ook, maar men vergist zich als men de bevrijdingen daar zich ongeveer zou voorstellen als de onze in 1945. Om een paar principiele verschillen te noemen: in West-Europa was de nazificering van de min of meer democratische maatschappij bij wijze van spreken al mislukt voor ze was begonnen. Ondanks de verwoestingen waren de fundamenten van de infrastructuren niet aangetast. Tijdens de bezetting groeide wel een forse collaboratie, maar die heeft zich niet kunnen nestelen in de nerven van het bestuur. Hebben de 'massa's' in de bezette gebieden langer dan een paar jaar de overtuiging gehad dat ze zich in een uitzichtloze situatie bevonden? Misschien nog in 1940 en 1941, maar in de winter van 1942-43 en zeker na de val van Stalingrad wist men zeker dat de ondergang van nazi-Duitsland nog maar een kwestie van tijd was. De bevrijding van West-Europa was het einde van een barbaars intermezzo.

Het is uitbundig gevierd. Het kwade werd gestraft en het goede beloond, er was geen twijfel over de maatstaven. Vervolgens is men begonnen aan de wederopbouw waarbij 'alles anders moest', maar de gereconstrueerde maatschappij vertoonde treffende gelijkenis met de oude. Iets anders was menselijkerwijs ook niet mogelijk. Op de herwonnen vrijheid van meningsuiting na is er tussen de omwenteling in het Oosten en onze bevrijding geen overeenkomst. Na 1945 werd in het Westen zo goed en zo kwaad als dat ging de duidelijkheid in het recht, de politiek en de moraal hersteld en dit alles met het vooruitzicht op economisch herstel. In 1990 bevinden de voormalige socialistische landen zich ook in een overgangstoestand, maar zonder al die zegeningen. Een uitstekende beschrijving van de situatie heeft redacteur Peter Michielsen gegeven in NRC Handelsblad van gisteren. 'Onzekerheid was er niet onder het vorige bewind. Toen waren de regels duidelijk, de sancties duidelijk, de marges klein. Iedereen wist zijn plaats in het systeem. Sommigen geloofden in dat systeem, anderen pasten zich aan, en wie ook dat weigerde wist welke consequenties dat had. (..) En nu? Er is een ideologie weggevallen. Er is een open ruimte, de parameters zijn verdwenen, de criteria veranderd. Er zijn geen vaste regels meer zoals er geen vaste prijzen meer zijn. Plotseling, zo hebben de Polen ontdekt, is er niemand meer verantwoordelijk.'

De meeste bestuurders van vroeger zijn blijven zitten omdat het in organisatorisch opzicht doelmatig is hoewel moreel verwerpelijk.

Er is geen overtuigend alternatief voor een maatschappij zonder hoop.

Het land is wel voortdurend in beweging, maar niemand weet precies waarheen. Dat is het grote verschil tussen hun bevrijding en datgene waar wij, beperkt door onze eigen ervaring van 1945, aan denken. Alle voormalig socialistische landen verschillen. Polen is in de hervorming van de politieke en bestuurlijke machten andere misschien vooruit, maar in economisch opzicht er mogelijk nog slechter aan toe dan de DDR of Tsjechoslowakije, hoewel weer wat beter dan de Sovjet- Unie als daarmee nog een vergelijking mogelijk is. Maar dat hele deel van de wereld deelt het vraagstuk van de verdwenen ideologie, de daarbij horende discipline en moraal (voorzover daarvan sprake was) en het gebrek aan een overtuigende oplossing voor het economisch herstel. Dat is nieuw in de nieuwste geschiedenis. Het is nog niet vertoond dat op een bevrijding de collectieve en duurzame ontgoocheling volgde. De oplossing van dat vraagstuk zal niet uit de collectebus komen.

Evenmin als een individu kan een maatschappij leven zonder hoop. Het experiment zonder hoop dat nu hier en daar in Midden-Europa onderweg is, vormt daarom de inleiding tot iets anders. Voor de DDR valt dat wel te voorspellen: hereniging. Hoe verder we ons van het Westen verwijderen, des te moeilijker wordt de prognose omdat die altijd gebouwd is op een rest van continuiteit. Zo valt er voor Moskou niets meer te voorspellen, omdat daar juist de strijd tegen die rest pas goed begonnen is. Bij ons volgde op de bevrijding meer dan een driekwart restauratie; daar valt praktisch niets te restaureren. Bij ons bood de restauratie vaste grond; daar is ze het verwerpelijkste wat men zich kan voorstellen. Dat is het grote politieke verschil. Het begrijpen daarvan gaat aan iedere poging tot doeltreffende hulp aan de voormalig socialistische wereld vooraf.