Tentoonstelling over opvang 'Oosterse Nederlanders'; Sociaalongewenst

'Oosterse Nederlanders', die zo'n veertig jaar geleden na de onafhankelijkheid van Indonesie naar Nederland wilden komen, werd dat door de Nederlandse regering zeer ontraden. Maar als ze dan toch van hun recht gebruik wilden maken om te repatrieren, dan was minimaal 'heropvoeding' noodzakelijk. Omdat aanpassing aan de Nederlandse samenleving voor nagenoeg onmogelijk werd gehouden, moest ernstig worden overwogen deze 'in Indie gewortelden' in speciale kampen onder te brengen. Dit blijkt uit archiefonderzoek dat Marina Godeschalk voor haar doctoraalscriptie Assimilatie en Heropvoeding heeft gedaan. Deze Indische Nederlanders, van wie het overgrote deel was voortgekomen uit gemengde huwelijken tussen Nederlanders en Indonesiers, arriveerden vaak volkomen berooid in een land dat zij niet uit eigen ervaring kenden. Zij werden over het hele land in zogeheten contract-pensions ondergebracht en opgevangen door maatschappelijk werksters. Dat gebeurde ook in Apeldoorn. Dat was niet toevallig, want deze Veluwse gemeente was al voor de oorlog een populair oord voor Indische verlofgangers.

Over deze verlofgangers, maar meer nog over de opvang, huisvesting en integratie van Indische Nederlanders na de oorlog is eind januari een tentoonstelling geopend in het historisch museum Marialust in Apeldoorn. De expositie bestaat voornamelijk uit foto's en documenten. Zeer geheim Ter gelegenheid van de tentoonstelling is een boekje verschenen waarin onder meer staat beschreven op welke paternalistische manier de verdrevenen uit Indonesie niet zelden werden opgevangen door het Centrale Comite van Kerkelijk en Particulier initiatief voor de sociale zorg ten behoeve van gerepatrieerden, kortweg CCKP. In het museumboekje wordt een citaat aangehaald uit een 'zeer geheime' nota uit het begin van de jaren vijftig van het 'Ministerie van Uniezaken en Overzeese gebiedsdelen': 'Veel van deze lieden zijn nimmer in Nederland geweest, hebben afwijkende levensgewoonten, zodat samenwoning met Nederlandse gezinnen, ook blijkens de opgedane ervaring, op grote bezwaren stuit. In het algemeen ook zijn deze personen minder geschikt om in het arbeidsproces in Nederland te worden ingeschakeld. Zouden de omstandigheden in Indonesie er (..) toe leiden dat grote aantallen Indische Nederlanders zich in Nederland zouden willen vestigen, zo zal (..) moeten worden overwogen bestaande kampen voor huisvesting voor deze mensen in te richten'. Er kwamen er over een periode van ruim 15 jaar z'n 250.000; in kampen ze zijn gelukkig nooit ondergebracht.

Een belangrijk ambtelijk adviseur van de regering was in die jaren P. H. M. Werner, hoofd van het Rijksarbeidsbureau van Sociale Zaken.

De man is al jaren gepensioneerd. In 1952 maakte Werner, onder meer in het gezelschap van M. L. Hoytink, adjunct-directeur van de Dienst Maatschappelijke Zorg van Binnenlandse Zaken, een orientatiereis van drie weken naar Indonesie 'ter bestudering van het Indo-Europese vraagstuk'.

Hij bracht er een vertrouwelijk, intern rapport over uit dat Godeschalk niet meer in de archieven heeft kunnen terugvinden, maar daar volgens andere onderzoekers inmiddels wel is opgedoken. Bekend is dat de Commissie Werner een duidelijk onderscheid aangaf tussen sociaal-gewenste en ongewenste groepen Indische Nederlanders die van plan waren naar Nederland te komen. Oud-assistent-resident dr. J. van Baal, in 1953 even Tweede Kamerlid voor de Anti-Revolutionaire Partij en vanaf 1954 gouverneur van Nieuw Guinea, wordt het rapport-Werner in handen gespeeld. Hij is razend en schrijft een uiterst kritische reactie, waarin hij de commissie er onder meer van beschuldigd uit te gaan van 'de rassenleer van Hitler'. De aanleiding voor deze beschuldiging vormt de vaststelling van de commissie, dat niet slechts 'Oosterse Nederlanders' het hier niet zullen redden, maar evenmin hun kinderen, zelfs als zij hier een opleiding hebben gevolgd. Immers, zo zegt de commissie letterlijk: 'zij blijven kinderen van een tropisch land met een daaraan inhaerent verbonden laag arbeidstempo en andere specifieke Oosterse eigenschappen en gedragingen, welke in het kader der verhoudingen in Nederland economisch niet aanwendbaar zullen zijn (..) Daartegenover staat, dat al deze kinderen als Oosterse Nederlanders in Indonesie zijn geboren en daar psychisch, physiek en maatschappelijk thuis behoren. Hun eigenschappen en gedragingen zijn daar wel aanwendbaar, terwijl de aard van de arbeid en het arbeidstempo daarmee in overeenstemming zijn.' Van Baal komt tot de conclusie dat dit oordeel de Indonesiers tot een minderwaardig ras bestempelt. Rassentheorie Wijzend op nog enkele buitengewoon dubieuze passages in het rapport-Werner, waaruit Van Baal geen andere conclusie kan trekken dan dat de commissie kennelijk uitgaat van het 'superieure Nederlandse ras', schrijft hij: 'Hoe men dit alles echter uitlegt, men blijft gevangen in een kring van gedachten, die tot pseudo-wetenschappelijke basis diende voor de Joden-vervolgingen, een kring van gedachten, die geen wetenschappelijke grond heeft en nog onlangs door UNESCO in de Declaration on Race veroordeeld werd.'

Overigens geloofde ook Van Baal dat de - eerste generatie - 'Oosterse Nederlanders' er hier 'niets van terecht zouden brengen'.

De benadering van Indische repatrianten, als een soort asocialen die na een drastische heropvoeding misschien nog net geschikt konden worden gemaakt voor de Nederlandse samenleving, kenmerkt het beleid van de CCKP. Een veel toegepaste stelregel was dat een Indisch gezin pas in aanmerking kwam voor een eigen woning, als uit een vertrouwelijk rapport van de maatschappelijk werkster bleek dat het zich zo veel mogelijk gedroeg als een typisch proper Hollands gezin, ook wat de eetgewoontes betreft - dus niet iedere dag rijst! PETER SCHUMACHER Sporen van een koloniaal verleden. De komst van Indische Nederlanders naar Apeldoorn. Historisch Museum Marialust, t/m 18 maart.