Saura schildert het kleinste beetje hoop de bodem in

Tentoonstelling: Antonio Saura, schilderijen 1956-1985; Centro de Arte Reina Sofia, Madrid, t/m 18/3. Daarna in Munchen en Toulouse. Dinsdags gesloten.

Antonio Saura heeft eens geschreven dat de kunst van het stierenvechten niet te schilderen is, omdat het een kunst is die uitsluitend bestaat bij de gratie van beweging. 'Maar', zei hij in een recent vraaggesprek, 'er zijn schilders die stieren bevechten wanneer ze aan het schilderen zijn, zoals Willem de Kooning, en zoals ik.'

De vergelijking met de fiesta nacional lijkt op het eerste gezicht wat al te voordehandliggend bij een Spaanse schilder. Er zijn dan ook argumenten die er tegen pleiten: Saura bracht meer dan de helft van zijn leven in Frankrijk door, hij heeft een hekel aan folklore en de doeken die tot half maart in het kunstcentrum Reina Sofia hangen hebben wel de spanning maar niets van de elegantie die bij een goede corrida hoort. Niettemin noemt Saura zelf zijn werk 'een gevecht op leven en dood met de stier van het witte doek' en wie de zeventig schilderijen van deze tentoonstelling heeft gezien, kan zich goed voorstellen wat hij daarmee bedoelt. Het zijn geen variaties op, maar inderdaad gevechten met Spaanse thema's: met het werk van Goya en Velazquez, met het ontmoedigende genie van Picasso, met seks en dood en met de angst voor de opstand der horden. Tegelijkertijd levert Saura een gevecht met de figuratie.

Uitgangspunt van ieder doek is een concrete voorstelling: de kruisiging van Christus, een portret van een met name genoemd persoon of een schilderstuk van een grote voorganger. Binnen de arena van die beperking gaat de schilder tot het uiterste. Een lieflijk vrouwengezicht wordt een vlek van haren, tanden, knoken. De hond van Goya steekt steeds opnieuw zijn kop boven de rand van het doek uit, in een reeks die het arme dier tenslotte als vormloos bergje achterlaat. De kruisiging heeft niets met verlossing te maken, maar alleen met pijn en angst en alle verwringingen die een lichaam op de rand van de dood nog net verdraagt. Hoewel deze tentoonstelling Schilderijen 1956-1985 heet, is het geen retrospectief. Tien jaar geleden organiseerde het Stedelijk Museum een dergelijke overzichtstentoonstelling met meer dan driehonderd werken op linnen en papier, die vervolgens ook in Madrid en Barcelona was te zien. Voor Spanje betekende dat toen een inhaalmanoeuvre. Doordat Saura voornamelijk in het buitenland had gewerkt en wegens zijn politiek activisme uit de gratie was bij het Franco-regime, werd zijn werk in de jaren vijftig en zestig weinig in eigen land tentoongesteld en al helemaal niet aangekocht. Dezer dagen is hij een geziene figuur in Spanje, niet in de laatste plaats doordat hij altijd bereid is zijn mening over de kunsten ten beste te geven in de media en ook zelf graag essays en toelichtingen op zijn oeuvre schrijft. Niettemin bevinden zijn belangrijkste schilderijen zich nog steeds in het buitenland, zodat ze minder bekend dan hun maker zijn.

De expositie, prachtig neergehangen in de enige voltooide vleugel van de immense tempel van moderne kunst die Madrid binnenkort rijk zal zijn, is voor Spanje nog steeds een beetje ontwikkelingshulp. Het initiatief werd ditmaal genomen door het Museed'Art et Histoire van Geneve, dat de doeken leende bij een twintigtal andere instellingen (onder andere Boymans-van Beuningen en het Stedelijk) en bij een aantal particuliere verzamelaars. Wat de verzameling vooral, en ook voor de buitenlandse bezoeker, de moeite waard maakt is de thematische ordening. Ondanks aanvankelijke bezwaren van Saura zelf, die bang was voor een eenzijdige indruk van zijn werk, is gekozen voor het bijeenbrengen van vier reeksen: vrouwenportretten, kruisigingen, menigten en de 'denkbeeldige portretten' van Goya en zijn hond. Alle doeken zijn geschilderd in de aardkleuren zwart, wit, geel en rood en allemaal zijn ze van groot formaat, wat nog iets toevoegt aan de bezichtiging in een museumzaal. De grootste zijn die met de 'menigten'; twee bij vier meter of zelfs twee bij zes. Honderden hoofden zijn op die oppervlakte samengeperst in een krampende of juist gestolde beweging. Een enkel oog of een mond maakt duidelijk dat de menigte weliswaar een ding is, maar uit afzonderlijke mensen bestaat - en daarin schuilt het schrikbarende.

Het eerste van de tentoongestelde stukken is vijfendertig jaar oud, maar met deze zelfde vier thema's gaat Saura ook nu nog regelmatig de confrontatie aan. Alleen dat al maakt duidelijk dat hij zijn obsessies serieus neemt en met een uitputtende discipline verkent. Wie naar de datum achter de titels kijkt, ziet dat er perioden zijn in het werk. Na een lange onderbreking komen er in korte tijd twee, drie, vier of meer doeken tot stand. Maar een 'ontwikkeling' is er niet.

Zelfs die hoop slaat Saura de bodem in. Er is het gruwelijke spel, er is de herhaling en aan het eind is er de dood. Dat zo'n gevaarlijke verkenning ook nog geestig en mooi kan zijn, is misschien moeilijk voorstelbaar. Om dat te ervaren moet men naar Madrid.

    • H. M. van den Brink