Inspanningen met NedPhO beginnen vrucht te dragen; Haenchenkan gaan oogsten

Concert: Ned. Philh. Orkest o.l.v. Hartmut Haenchen, met: Stella Kleindienst (sopraan) en Siegfried Lorenz (bariton). Programma: G. Mahler: Blumine en liederen uit Des Knaben Wunderhorn; A.von Zemlinsky: Lyrische Symfonie. Gehoord: 1/2 Wangzaal, Beurs van Berlage, Amsterdam. Concert: Ned. Philh. Orkest o.l.v. Hartmut Haenchen, met: Frank Peter Zimmermann (viool). Programma: A. Berg: Vioolconcert; A. Bruckner: Negende symfonie. Gehoord: 6/2 Concertgebouw, Amsterdam.

Herhalingen aldaar: 7, 10 en 11/2; 9/2 Muziekcentrum Vredenburg, Utrecht. Het gaat beter met Hartmut Haenchen, de chef-dirigent van het Nederlands Philharmonisch Orkest en de chef-dirigent van de Nederlandse Opera. De directie van de Opera (artistiek directeur Pierre Audi en zakelijk directeur Truze Lodder) is weer met hem in gesprek, nadat eerder was besloten dat zijn verbintenis met de Opera zou worden gedegradeerd tot een vast-gastdirigentschap. De bedoeling van de gesprekken, die over een maand moeten zijn afgerond, is hem toch te behouden als chef-dirigent: een continuering van zijn opmerkelijke dubbelfunctie omdat zijn Nederlands Philharmonisch Orkest ook de meeste Opera-voorstellingen begeleidt. Als opera-dirigent heeft Haenchen de laatste jaren een degelijke reputatie opgebouwd, onlangs nog bevestigd met een uitstekende Orphee et Eurydice. In de concertzalen waren zijn optredens meestal minder overtuigend en was het niveau van zijn orkest - tegenstribbelend ontstaan uit een fusie van het Amsterdams Philharmonisch Orkest, het Utrechts Symfonie Orkest en het Nederlands Kamer Orkest - al te wisselend.

Maar de moeilijke jaren van gelijktijdige afslanking en opbouw, terwijl ondertussen ook nog de artistieke eisen werden opgeschroefd, beginnen enig serieus resultaat te krijgen, zodat Haenchen na zijn inspanningen nu ook wat kan gaan oogsten. Niettemin blijft de marge nog klein, want ook de programmering is nu ambitieuzer dan het veelal populair- klassieke werk dat Anton Kersjes en het Amsterdamse Philharmonisch Orkest destijds de klanten van Albert Hein lieten horen.

Dat nieuw verworven publiek bleef - een knappe prestatie! - en het kon verleden week luisteren naar een bewonderenswaardige uitvoering van de Lyrische symfonie van Zemlinsky, voorafgegaan door Mahlers Blumine (aanvankelijk bedoeld voor de Eerste symfonie), een originele keuze als opmaat voor enkele liederen uit Des Knaben Wunderhorn. En dezer dagen speelt het orkest het Vioolconcert van Berg, gevolgd door de Negende symfonie van Bruckner. Het is allemaal bijzonder veeleisend en met Zemlinsky en Bruckner zelfs monumentaal repertoire dat men ook bij het Concertgebouworkest zou kunnen verwachten. Het probleem is dan - vooral wanneer de concerten ook deels in het Concertgebouw worden gegeven - dat de vergelijking met het Concertgebouworkest voor de hand ligt en (uiteraard) in het nadeel van het Nederlands Philharmonisch uitvalt. En - ook los daarvan - mist men bij Haenchen, altijd druk in de weer om de uitvoering in goede banen te leiden, dan soms net dat beetje extra in de interpretatie en de afwerking dat het ten gehore brengen van juist zulke muziek tot een echte gebeurtenis zou kunnen maken. Zo klonken zijn Mahlers mij al te bleek, met te weinig karakter en profiel. En ook blijft het voor mij de vraag in hoeverre hetgeen men hoort nu ook werkelijk de bedoeling is, danwel dat dirigent en/of orkest op dat moment niet tot iets anders in staat zijn. Zo was gisteravond, met de voortreffelijke Frank Peter Zimmermann als solist, de uitvoering van het Vioolconcert van Berg ondanks wat problemen in de balans, bepaald respectabel. Maar dat de benadering vaak zo objectiverend en met zo weinig verinnerlijkte emotionaliteit klonk: was dat toeval of opzet? En Bruckners Negende, met dat ruige, vaak helder en scherp opengelegde nerveus uiteenspattende klankbeeld, waar anders altijd onaantastbare diep-verzadigde donkere monolitische blokken naast elkaar staan: was dat werkelijk Haenchens definitieve opvatting? Even bevreemdend als opzienbarend zou dat zijn! Of was het toch een uitvoering waaraan nog moet worden geschaafd en gevijld en gepolitoerd om de proportionering, de kleuring en de spanning in orde te krijgen en de passages met gelijktijdig crescendo en accelerando meer effect te geven?

    • Kasper Jansen